Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erfgenamen van Christus, mederegeerende in de eeuwige heerlijkheid met Hem: gelijk to^ dusver de moederkerk hen geëerd heeft".

Wat een fijn gesponnen redeneering en behendige redeneertrant. En welk een bijbelsche grondslag, naar het schijnt.

Ik ga stilzwijgend voorbij wat Sonnius verder aanhaalt, dat engelen (Gen. 18 : 2), koningen (1 Sam. 20 : 41), profeten (2 Kon. 2 : 15) „en andere personen die door hun waardigheid uitmuntten, vele malen en godsdienstig aangebeden zijn geweest, ja ook gestorven heiligen" (1 Sam. 28:14). Alsmede de bekende roomsche onderscheiding van de adoratie of cultus in latria, dulia en hyperdulia, die Sonnius in herinnering brengt, volgens welke latria alleen aan God, hyperdulia aan de uitnemende heiligen, en dulia aan de overigen moet worden toegebracht.

Artikel 2 der Corte Belydinghe weerspreekt de leer der transsubstantiatie door de opmerking, dat Christus naar zijn menschelijke natuur slechts op één plaats kan zijn. Sonnius brengt daartegen in, dat Christus' lichaam, waarmede Hij uit de dooden opstond, een geestelijk lichaam was, versierd met geheel goddelijke gaven. Dat bij voorbeeld het hart van Eliza, die in huis bleef, tegenwoordig was, toen Naaman de Syriër afsteeg Gehazi tegemoet (2 Kon. 5). „Wat wonder is het dan, indien het lichaam van Christus wat den persoon betreft (hypostatice) met de Godheid verbonden is en in den hemel onder zijn eigenlijken vorm blijft, maar op aarde is onder den vorm van het gewijde brood. En in zoo vele plaatsen en altaren, als er brooden door de wijding veranderd worden in zijn vleesch, waaromtrent Chrysostomus uitroept: „O wonder, o goedheid Gods, Hij die met den Vader in den hooge zit in den hemel, wordt in hetzelfde tijdsgewricht door alle handen op de aarde aangevat".

Sluiten