Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het engelenwoord tot Maria gesproken: „Geen ding is bij God onmogelijk" (Luk. 1) geeft den kettermeester in zijn polemischen ijver aanleiding tot de buitensporige bewering: „Indien volstrekt geen enkel ding bij God onmogelijk is, dan moeten die dingen [de transsubstantiatie] voor nog meer mogelijk gehouden worden, die wij, als door het eigen woord van God zelf uitgedrukt, lezen".

Artikel 3 der Corte Belydinghe verklaart kort en bondig: „gheen hulpe soeckende aen verstorven santen of santinnen, die van ons niet en weten, ende contrarie in hare leuen leerden". Sonnius neemt hieruit aanleiding, om over de strijdvraag der aanbidding van heiligen een heel pleidooi te houden.

Eerst betoogt de kettermeester vrij onnoodig, dat de gestorven heiligen nog leven. Vandaar de kerkelijke litanie: Heilige Maria! bid voor ons. Zij leven met God en Christus in de heerlijkheid des hemels. Zij zijn in de hand Gods, ja in den troon en vóór den troon Gods, en bij Christus die voor ons bidt. Valsch voorwaar is dus de bewering, dat de heiligen niets van ons weten. Dewijl in God als in hun eerste beginsel alle dingen zijn die gemaakt zijn, en in Hem als in een zeer helderen spiegel weerkaatsen, bijzonder ook de menschen en de daden der menschen, en dit tot kennis van die daar tegenwoordig zijn. Gelijk Gregorius zegt: „Heilige zielen, die, binnen zijnde, den glans van den almachtigen God zien; het is op geenerlei wijs te gelooven, dat erbuiten iets zij, wat zij niet weten".

Hier komt ook dit bij. Indien de heiligen godheden en vergoddelijkt [divi ac deifieati] zijn (gelijk ze zijn), dan hebben zij dus kracht om te vóórzien en te hooren, niet alleen menschelijke, maar ook hemelsche en goddelijke kracht. Zoo zag Stephanus Christus, staande ter rechterhand Gods (Hand. 7). En Johannes de Dooper zag den H. Geest nederdalendo van den hemel, en hoorde God vandaar sprekende. Is het dus vreemd dat

Sluiten