Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de heiligen, met hemelsche gaven geheel versierd, uit den hooge zien en hooren onze wenschen?

En wanneer de Heere tot Jeremia zegt: „Ofschoon Mozes en Samuël voor mijn aangezicht stonden, dan zou toch mijn ziel tot dit volk niet wezen" (Jer. 15), zegt Hij dan niet voldoende, dat zij kennis gehad hebben van die dingen, die met het Israëlitische volk gebeurden? Want wie komt voor onbekenden en over onbekende zaken tusschenbeiden ?

„Wat gijlieden voorts zegt, dat de heiligen, terwijl zij leefden, het tegendeel geleerd hebben, gelijk het zonder bewijs door u beweerd wordt, zoo kan het ook zonder bewijs verworpen worden, gelijk vaststaat dat voor alle gerechtshoven gebruikelijk is". Desniettemin, opdat allen de lucht mogen krijgen van de schandelijkheid dezer leugen, laat Sonnius de kerkvaders spreken.

Vooreerst heeft Origenes zelf den heiligen Job en den heiligen vader Abraham aangeroepen, leerende dat de heiligen voor ons zorg dragen, en ons met hun gebeden helpen, bewijzen hiervoor uit de boeken der Maccabeën bijbrengende, ofschoon hij later van de waarheid vervallen is. Na hem leert de heilige Cyprianus de martelaar, dat de kinderkens door Herodes omgebracht God voor ons bidden. Maar ook Eusebius verhaalt, dat de heilige Patomiëna God gebeden heeft voor haar beul Basilides. Bovendien verhaalt Ruffinus in zijn voortzetting der geschiedenis van Eusebius, dat de romeinsche keizer Theodosius op een haren kleed gelegen heeft voor de doodkisten [thecael der martelaren en apostelen, en door de trouwe tusschenkomst der heiligen hulp voor zich verzocht heeft. Ook de heilige Basilius beveelt, dat tot veertig martelaren wier strijden hij zelf beschrijft, gebeden zal worden. En Gregorius Nazianzenus belijdt vrijmoedig door een uitgegeven redevoering, dat de heilige Basilius reeds overleden voor het volk tusschenbeiden komt, en hij zelf hem om hulp aanroept, gelijk hij

Sluiten