Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het mosterdzaad. Even geleerd als vroom, was hij voor de gemeente aldaar een groote aanwinst.

De drie Amsterdamsche predikanten, Jan Arentszoon, Peter Gabriël, en Nicolaas Scheltius, waren het volk zeer aangenaam. Want zij stonden naar geen schandelijk gewin, leefden zeer matig, en waren gastvrij. Zij zochten der rijken tafelen niet, maar genoodigd schikten zij zich aan den disch, bij arm en rijk, zonder met lekkernijen gediend te zijn. Ook waren ze meest met wei en melk, onder de huisluiden, gedurende de vervolging gespijsd. Hun kleeding was „slecht, doch eerlijk".

Door zulke predikanten wies de toeloop van het volk, en het getal der armen. Derhalve zijn eenige broederen tot diakonen aangesteld, om de aalmoezen onder de preek te vergaderen. Dit geschiedde in houten schotels. De diakonen reikten de giften getrouw uit, „deelende den nooddruftigen sonder onderscheidt van persoonen, 't sij van wat Religie dat die waren". Ook zijn ettelijke oude deugdzame zusters (1 Tim. 5:9) tot diakonessen gekozen. Velen brachten den diakonen hun overvloed van kleinoodiën en kleederen. Of maakten die te geld, en stelden het hun ter hand. De eerste liefde eener gemeente.

Naar aanleiding van volksberoerten en daardoor gewekte wethouderlijke vrees, stond de keur van den laatsten September 1566 de Minnebroederskerk, de tegenwoordige Oude kerk, met het annexe kerkhof aan die van de „Nyeuwe Gereformeerde Religie" ten gebruike af. De begrafenissen werden aldaar naar hun wijze, met nederduitsche gezangen, toegelaten. In October verscheen Jan Arentszoon in de beloofde kerk op den stoel. De kerk werd van stoelen en banken voorzien, Adriaen Leenaerts de timmerman tot koster en „grafmaker" gemaakt. De sacristij diende voortaan tot kerkekamer. Ook zijn er te dezer tijd ouderlingen gesteld.

Wonderbare verandering in een kort tijdsgewricht!

Sluiten