Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oosterlingen ter kennis van de Gereformeerden gekomen zijnde, werd bij hen goedgevonden en Jan Arentszoon opgelegd, „desen slagh, door rekkelijkheit en toegeven te breeken". Op deze wijs. Zondagmorgen in de Minnebroerskerk op stoel gaande, las hij het volk het tiende en dertiende artikel der augsburgsche confessie, handelende van het avondmaal en het gebruik der sacramenten, openlijk voor. Hen vermanende, dat zij zich toch door geen onwaarachtige beschuldiging noch vreemden achterklap zouden laten verleiden, noch zich diets maken, dat er bij hen eenig kwaad of vreemd gevoelen van 's Heeren avondmaal werd gepredikt. Ja uitdrukkelijk met hooge woorden betuigende, dat zij tegen de voorgelezen punten niet leerden.

Nu viel van gereformeerd standpunt tegen artikel dertien niets te zeggen '). Daarentegen luidt artikel tien, „Van het Avondmaal des Heeren", letterlijk:

„Wij leeren dat het ware lichaam en bloed van Christus onder de gedaante van brood en wijn waarachtig in het Avondmaal tegenwoordig zijn, uitgedeeld en ontvangen worden, en verwerpen het tegenovergestelde gevoelen".

Daar staat dan toch met zoo vele woorden, dat de avondmaalganger èn het lichaam van Christus en brood eet. Hoe kan een gereformeerd leeraar betuigen, dat men tegen deze luthersche dwaling niet leert?

De geschiedschrijver Brandt verdedigt Jan Arentszoon zoo veel mogelijk. Doch een bekwaam tijdgenoot2)

1) Artikel 13. Van het gebruik der sacramenten. Hieromtrent leeren wij, dat de Sacramenten niet alleen daartoe ingesteld zijn, om de Christenen van andere menschen te onderscheiden ; maar dat zij ons (iods genaderijke gezindheden moeten vertegenwoordigen en verzekeren, ten einde ons geloof hierdoor verlevendigd worde ; dat, hijgevolg, ook liet gebruik alleen in het geloof, en met het oogmerk tot versterking daarvan kan plaats hebben.

2) Gaspar van der Heyden 1530 —1586. Proefschrift van Al. F. van Lennep. Amst. 1884, blz. 61.

Sluiten