Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

val der belgische kerk. Na 1585 is haar geschiedenis nog slechts een geschiedenis van lijden en sterven. Vóór dat jaartal laten zich haar lotgevallen bij decenniën (tientallen van jaren) beschrijven. De jaren 1566, '76 en '85 vertegenwoordigen hoofdmomenten, keerpunten. Het zij mij vergund, het jaar 1648 als eindpunt te stellen.

Vooreerst dan het jaar van wonder 1566.

De verschillende belgische gemeenten, veertig jaar lang verdrukt en verscholen, treden in vertrouwen op het Verbond der edelen aan het licht. De openbare preek wordt gehouden, een wonder in elks oogen. Calvinistische leeraars of althans voorgangers preeken in het open veld, nabij de steden, hier en daar zelfs binnen de stadsmuren. Zij tellen hun hoorders bij honderden, straks bij duizenden. Daar Rome's kerk zichtbaar afneemt, worden velen door God of menschen, voor goed of tijdelijk, getrokken tot de kennis des evangelies. De blijde tijd van den snellen wasdom der gemeente. „Ik was in de gevangenis gegaan en weggeweken, wie heeft mij dan dezen opgevoed" (Jez. 49:21)?

Bovendien was het volstrekt niet enkel de mindere volksklasse, die het oor te luisteren legde en het hart neigde tot Godes Woord. Te Antwerpen was een veelzijdig ontwikkeld man, de rijke bankier Marcus Perez, de ziel van kerk en kerkeraad. Te Gent was het edele geslacht Utenhove') sinds lang hervormingsgezind. Te Brugge durfde men in 1568, na de komst van Alva, de Hervormden nauwelijks straffen, „omdat ze rijk en fraai gekleed' waren. Het waren „rijke, kostelijke jonkvrouwen en rijke geuzen", „edelmannen, geleerde mannen en kooplieden". Door heel Brabant en Vlaanderen blonken de voorstanders der reformatie zoowel door menigte als door aanzien, rijkdom en geleerdheid uit. Daarentegen

1) Zie de kostelijke dissertatie van dr. F. Pijper, Jan Utenhove. Zijn leven en zijne werken. Leiden 1883.

Sluiten