Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beweging naar het heiligdom. Aan het hoofd traden de schabeletters, de stadsboden en de klokkeluider van den halletoren, die heden het volk niet tot den arbeid te roepen had, het zinnebeeld der ruste. Daarop volgden de stadsregenten met den krijgsraad. Voorts de kapiteinen van het krijgsvolk met hunne sergeanten. Dan gingen de dekens der ambachten, ieder met zijne beëedigden, allen twee aan twee. En aan dezen trein sloten zich ten laatste al de gemeenteleden ondereengemengd. Zóó trok de schare als in processie door de straten, opgaande naar den tempel des Heeren. De ruime Salvatorskerk had hare deuren geopend om de ootmoedige menigte te ontvangen. En nauwelijks heeft zij hare plaatsen bezet onder de heilige gewelven, of Capito beklimt den kansel. Hij vermaant tot schuldbesef en boete, tot bekeering en vertrouwen op Hem, Wiens hulp niet faalt en Wiens beloften niet wankelen. Hij stemt tot een geloovig gebruik van 's Heiland verbondsmaaltijd, naar de reine instelling van het Evangelie. Hij zendt vurige gebeden ten Hemel. Straks klinkt het luide psalmgezang langs wanden en pilaren. De geloofsbelijdenis der hervormde kerk wordt voorgelezen als eenheidsband der gemeente'); en nu verlaat de leeraar den predikstoel. Daar staat hij voor de gewijde tafel, om welke ringsgewijs stoelen en banken geschikt zijn. Op de digtste hebben de opzieners, diakenen en voorzangers plaats genomen, achter hen de aanzienlijkste personen en de gansche gemeente. Het brood wordt van een' zilveren schotel door een' dienaar toe-

1) In de eerste nederlandsch hervormde gemeente te Londen omstreeks het midden der zestiende eeuw werd, in een gewone godsdienstoefening, nadat de leeraar het hemelrijk ontsloten of toegesloten had, terstond daarna de apostolische geloofsbelijdenis voorgelezen, ten einde elk zich zeiven beproeven mocht, o! hij van harte mede kon zeggen „Ik geloof in God den Vader" enz., en door het geloof zich van Gods vergevende genade verzekerd kon houden of niet. Zie ^peij en Derinout, a. w. dl. I blz. 483.

Sluiten