Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beden, van voorgestelde geldheffingen, hield het bestuur steeds binnen die grenzen van gematigdheid en recht, die. de scheidsmuren zijn tusschen volksvrijheid en vorstelijk despotismus. De Staten-Generaal waren het voornaamste bolwerk der vrijheid. Alva dacht ze nog éénmaal, voor het laatst, ter goedkeuring zijner belastingplannen in ernst samen te roepen, om voor het vervolg zonder h^n onbeteugeld te heerschen. De Staten-Generaal voortaan een schijnvertooning, een herinnering der teloor gegane volksvrijheid.

Maar welk een algemeene, vastberaden weerstand openbaarde zich, toen in Maart 1569 de Algemeene Staten, door Alva te Brussel beschreven, tot dit uitzuigingsplan hun toestemming moesten geven. Het zou immers de dood voor den handel zijn. En dat bij een volk van kooplieden. Alva's dreigingen werkten niets uit. Beloften deden enkelen wankelen. Men onderhandelde, en gaf wederzijds wat toe. Zou Alva zijn zin krijgen?

De Staten-Generaal waren vrij toegeeflijk ten aanzien van den honderdsten penning. De meeste provinciën kochten zich uit door middel van een zekere som. Maar zij protesteerden allen tegen den tienden en twintigsten penning.

Het is de onvergankelijke eer der Staten van Utrecht, dat zij alleen volstandig bleven weigeren. Tot straf zond de landvoogd een heel regiment soldaten in de stad. Hoe deerlijk zij er twintig lange maanden huishielden, is afgrijselijk zelfs te herdenken. Zij joegen roomsch en onroomsch op ontzachelijke kosten. Voor hun geile lusten was geen enkel vrouwspersoon veilig. Boven andere geweldenarijen liet men binnen Utrecht wel acht moorden, door de Spaansche soldaten begaan, ongestraft1).

1) Ook onthief Alva later, bij vonnis van 14 Juli 1570, de vijf kerken van Utrecht van hun vóórstemmen en alle plaats in de vergadering der blaten; insgelijks de edelen aldaar; en de steden Utrecht, Amersfoort, Wijk

Sluiten