Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het smeekschrift heeft een merkwaardige geboortegeschiedenis. In hoofdstuk vijf maakten we kennis met de botsing te Amsterdam in 1566 tusschen de rekkelijke Lutherschgezinde Hollanders en de preciese beginselvaste Brabanders en Vlamingen, die Jan Arentsz en de zijnen tot isolement wilden dringen. Nu allen moesten uitwijken, richtte de hoofdstroom der Hollanders zich naar Embden in Oostfriesland, terwijl Heidelberg en Frankenthal in de Palts de zetels van het streng rechtzinnige Zuid-nederlandsche Calvinisme werden. De gematigde bij uitnemendheid, Prins Willem van Oranje, was te Embden veel vermogend en werd in de Palts gewantrouwd').

In April 1570 rees te Embden het plan op, dat alle Nederlandsche natiën, Vlamingen en Brabanders, Hollanders (onder welke de Friezen en Groningers mede te begrijpen zijn) en Walen, allen tezamen of elke natie op zich zelf een Remonstrantie of Apologie bij den Rijksdag zou indienen. De Prins stelde daarop voor, dat iedere natie haar bijzondere klachten naar haar privilegiën te schrift stellen en hem toezenden zou, en dat iedere natie één geleerde zou aanwijzen. Deze geleerden zouden met eenige Duitsche doctoren in de rechten uit die vele bijzonderen een algemeen adres samenstellen. Daar benevens zouden bijzondere remonstranties worden ingediend.

Met het politieke voorstel der Embdenaars kruiste zich juist een verslag, uitgaande van de kerken in de Palts, een poging om de verstrooide gemeenten kerkelijk nader aaneen te doen sluiten. Het rondgaand schrijven van

de heer van Batenburg en anderen overhandigden in hun eigen naam requesten.

1) Zie over het wedervaren en het kerkelijk leven der ballingen in Duitschland de uitgaven der Marnix- Vereeniging, het Ecclesiae Londino-Batavae Archivum van Hessels, en Orartje's briefwisseling met Jacob van Wesenbeke van Van Someren in Oud-Holland, jaarg. 1892. En over het ontstaan der Apologie het leerzame opstel van Prof. R. Fruin, De voorbereiding in de ballingschap van de Gereformeerde kerk in Holland, in Archief voor ned. kerkgeschied., deel V, 1894 blz. 1—46.

Sluiten