Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18 Maart stelde voor het vormen van een algemeen e kerkelijke kas of beurs, het voeren van een geregelde briefwisseling tusschen de gemeenten, en het vaststellen van een kerkorde ').

De Brabanders te Embden werden nu bewogen, om hun reeds toegezegde medewerking tot de prinselijke Apologie te onthouden. Ook de gemeenten van Keulen en Wezel weigerden medewerking. De Prins, ontmoedigd, liet het gansche plan varen.

Doch zóó hadden de preciesen het niet bedoeld. Het door den Prins opgegeven plan namen die van Heidelberg over, en schreven andermaal aan de verspreide gemeenten. Zij verlangden bij het opstellen der Apologie geholpen te worden door een broeder uit elke gemeente, en verzochten van die van Embden bepaaldelijk met dit doel Cornelius Rhetius, der rechten licentiaat en een preciesen Brabander. De Brabanders te Embden verklaarden zich vóór het gewijzigde plan. Maar de Hollanders aldaar, nog steeds Lutherschgezind en afkeerig van het oprichten van een Pausdom (waarin de Confessie Paus zal wezen), verlangden niet mede te werken. Ook spraken zij de hoop uit, dat de broederen „verstandich ende omsichtig genoech" zouden handelen, en niet „zonder datzelve eerst mit mynen Heere den Prinche te communiceeren, opdat zijne F. G. alsoe mach gekent werden ende zijne behoorlijcke eere ontfangen".

Het verdere verloop dezer zaak is ons niet in bijzonderheden bekend. Heeft ten slotte de Hollandsche natie toch nog haar medewerking verleend? Wij weten het niet. Maar dit is zeker, dat het adres allerminst beantwoordt aan het schrikbeeld, dat de Hollanders er zich van gevormd hadden. Het prijst den Prins van Oranje, hem als

1) Gedrukt in het Aanhangsel op Prof. Van Toorenenbergen's uitgaafder Godsd. en Kerkel. Geschriften van Phil. v. Marnix, bli. 1—38. Zie ook Meiners I 426, en Werken dei• M. 1'., serie II deel II blz. 5.

Sluiten