Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

provinciale tot een nationale kerk vereischte de vaststelling van regelen, voor een volkskerk berekend.

Nu had de hooggeeerde a Lasco als oppergeestelijke van Oostfriesland (1544) wel het presbyterium voor de regeering der afzonderlijke gemeenten, de synode voor die van alle gemeenten ingesteld. Maar het ambt van superintendent of hoofdopziener, dat hij bekleedde, herinnerde aan het bisschoppelijke. Dat hij het in de inrichtingen der Londensche vreemdengemeenten (1550) zelfs uitdrukkelijk op Gods Woord stelde, maakte de zaak slechts bedenkelijker. Dat hij in zijn „Forma ac ratio" (II, 51) zich beroept op den kerkvader Cyprianus, den vader deibisschoppelijke heerschappij in de Roomsche kerk, was een aanbeveling van het superintendentschap, die den vaderen te Wezel als afkeuring toescheen.

De Londensche vreemdengemeenten, in hun episcopaalpresbyteriale inrichtingen, golden lang voor de Gereformeerden van het vasteland als model. Ook ontbrak het niet aan gewichtige stemmen onder de Gereformeerden, die zelfs de landsheeren als bezitters van deze bisschoppelijke heerschappij aanprezen. Onder den invloed van Zwingli hadden sommige Zwitsersche streken en rijkssteden zich kerkelijk op nieuw geordend. Zij hadden met den Züricher concensus wel de Geneefsche leer, niet de Geneefsche kerkinrichting aangenomen. Veeleer gold hun het strafambt der Christelijke overheid als voldoende vergoeding van alle kerkelijke tucht. Daarmee verviel de plicht der afzonderlijke gemeenten, zich eigen organen voor inwendige leiding en tucht te geven.

Ja nog meer. Weinige jaren slechts voor het Wezeler convent was Frederik III van de Palts, de vrome vorst, op wien de oogen van alle Gereformeerden zich hoopvol richtten, die in zijn Heidelbergschen Catechismus hun leer, in zijn kerkordening hun godsdienst erkend, voorbeeldig uitgesproken en ingericht had, door de instelling van zijn landsheerlijken „Kerkeraad" (15ö4) er toe over-

Sluiten