Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen gevoelen. Wijlen professor Fruin ') verklaart dan ook aangaande het confessie-artikel: „Die vage uitdrukking heeft wel den schijn uit een transactie tusschen rekkelijken en preciesen geboren te zijn". En hij herinnert, dat de preciesen met het resultaat der bijeenkomst volstrekt niet voldaan, zelfs niet gedeeltelijk tevreden geweest zijn. Nooit hebben zij er zich op beroepen, nooit zich geneigd betoond om er op voort te bouwen.

Dit klemt te meer, als we in het oog houden, dat de vergadering te Wezel toch wel op zuiverheid in de leer prijsstelde. In de bepaling die wij bespreken gaat voorop: „Ten eerste dat een getuigschrift geeischt worde hetzij van de kerk hetzij van de school of ook van de stad, waarin hij te voren heeft geleefd: opdat zekerlijk kunne vaststaan of hij eenige ketterij is toegedaan geweest, of hij in vreemde en curieuse vragen en ledige speculatiën meer dan betaamt zich heeft vermaakt, of hij de boeken der ketters naarstiger dan billijk is heeft gelezen, en of hij veel verkeerd heeft met geestdrijvers en menschen, die zich aan hun droomen overgeven".

In afkoer van godsdienstige warhoofden, die de kerkhervorming immers maar in miscrediet brachten, waren precielen en rekkelijken één. Voorts was de herfst van 1568 de tijd van 's Prinsen eersten rampspoedigen bevrijdingsveldtocht in België. Eerbied voor den grooten Oranjevorst die zoo krachtig gematigdheid voorstond, en erkenning van het nijpend landsgevaar, mag de preciesen wel bewogen hebben, vrede te hebben met de vooropstelling der leer en het op den achtergrond houden der confessie.

Toch zie men de gewichtige keerzijde der zaak niet voorbij. De vergadering te Wezel heeft Neerlands kerk verbonden aan de Nederlandsche belijdenis des geloofs. In de oudste kerkorde onzer kerk staat reeds de belijdenis

3) t. a. p., blz. 28.

Sluiten