Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plan met zijn autoriteit te zullen steunen. Ook zond hij nevens de afgevaardigden der Paltzische steden Marnix van Sint Aldegonde met geloofsbrieven aan al de gemeenten.

Dit prinselijk gezantschap verscheen ook op de provinciale synode van 3 en 4 Juli 1571 te Bedbur in Gulik. Behalve de deputaten der Guliksche gemeenten waren aldaar vergaderd „zekere dienaren des Woords der Nederlandsche kerken daaromtrent resideerende, en ook een dienaar des Woords uit Brussel en een ouderling uit Antwerpen". Aldegonde droeg namens Zijn Excellentie eenige punten voor ').

Vooreerst werd tot het houden der synode besloten. Vervolgens werden de oude plannen, uit Heidelberg afkomstig, tot op die vergadering uitgesteld. Op gelijke wijze werden de meest gewichtige politieke voorstellen van den Prins voorloopig ter zijde geschoven. Eveneens werd uitgesteld 's Prinsen wensch „dat men beraadslage, wat voor een beste middel nu zou kunnen volgen om een eenigheid en overeenkorainge op te richten met de gemeenten der Confessie van Augsburg. Item of het goed wezen zal den naam der Confessie voorzeid te voeren. Item te handelen van een overeenkominge op te richten met de gemeenten in Frankrijk".

Twee afgevaardigden der Bedbursche synode, Gerard van Culenborg en Jonkheer Willem van Zuylen van Nijevelt, trokken nu, van Marnix vergezeld, naar Wezel, en verder, zonder hem, de Kleefsche steden rond, overal toestemming verwervende tot het beschrijven der generale synode. Ten slotte togen zij „ijlende" naar Einden. Te Wezel had Marnix reeds aan die van Londen een brief geschreven, „voor al de uitgewekene Nederlandsche ge-

1) Tot zoover de bl ief aan den kerkeraad te Londen. Zie verder de Acta der vergadering zelve, in W. d. M. V., serie II deel II blz. 1 verv., en den brief van Marnix van Juli 1571 aan dien kerkeraad bij prof. v. Toorenenbergen, deel 111 p. 172 verv. en in Hessels' Architum, p. 378—387.

Sluiten