Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hangen Watergeuzen de juichende stad in. Nog denzelfden dag kwamen onder een lindenboom in den Kloveniers doelen de verraste Protestanten bijeen, om door woorden en tranen, in bede en lied, den Allerhoogste voor de wonderen Zijner verlossing te danken. Want Zijn gunst had Hollands oudste stad, „de koningin der steden", geus doen worden.

Reeds in Juli 1572 verkreeg de snel wassende Hervormde gemeente haar eersten predikant door de overkomst van Johannes Lippius of Lippens uit Wezel. Het convent aldaar, en als predikant van Wezel de synode van Emden, had hij bijgewoond. Waarschijnlijk was hij dus Calvinistisch gezind. Lippius vond de Dordtsche gemeente in een zorgelijken staat. Met uitzondering van weinigen was zij „bynaer onbekend met de soetigheden des Evangeliums, en naeuw den roock en smaek daer af hebbende". Onderwijs in de „leere tot godsaligheid" had bijna niemand gehad, „daer zucht tot veranderinghe veele gemoede had opgeroid". Slechts enkele huisgezinnen waren in bezit van Gods heilig Woord. Nog minderwas de catechismus in handen. Men oefende zich meer in ijdele twistredenen dan in de waarheid.

Weldra namen de Roomsche geestelijken de vlucht, of werden ter stad uitgedreven. Kloosters en kerken werden den Roomschen ontnomen. „Poorters, die met den Paus cuifden", beschimpte men openlijk. Maanden van consternatie en vrees volgden echter op die dagen van tumult. „Men zagh de roede tot tugtinghe te Brussel opgeheven". Handel en scheepvaart stonden stil. De winkels hadden geen vertier. Het wemelde van soldaten en vluchtelingen in de stad, die den prijs van het brood deden stijgen. Aan geregelde godsdienstoefeningen viel niet te denken. De opvoeding der jeugd werd geheel verwaarloosd.

In den zomer van 1573 werd de Hervormde gemeente te Dordrecht gesticht en opgebouwd. Allereerst legden zij, die professie des Evangelies deden, in het openbaar

Sluiten