Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grootelijks door schampere aanmerkingen op die achtbare samenkomst uit te geven '). Zij „getuigen minder van zijn helder inzigt, dan van zijn verbitterd gemoed" (Hooijer). Ons vorig opstel schetsste Caspar Coolhaesin 1566 en '67 in zijn Evangeliedienst te Deventer. In 1610 dus in zijn zes en zeventigste levensjaar dorst deze grijsaard aangaande zijn mede synodeleden van eertijds lasteren: „Sy waren meest al te samen mispriesters ende cloosterlieden gheweest, die het pausdom gheensins verlaten hadden maer van den pausdom verlaten waren. Want hare waer ofte coopmanschap van missen te lesen ofte singhen .... en woude niemantmeercopen. Waerom sy door honghersnoot ofte gebreck van 't jaerlicx ende dagelicx incoemste gedwongen, niet willende bedelen, en tot gheen andere arbeid geschikt, thans meer schaden met haer predicken, dan sy oyt met haren missen doen ghedaen hebben".

Meer geloofwaardig ten aanzien der predikanten van 1574 is het getuigenis van onzen bekwamen en bezadigden tijdgenoot Dr. C. Sepp. „Ik kan nauwelijks op voldoende wijze mijne ingenomenheid met Taffin's en zijner ambtgenooten pastorale werkzaamheid uitdrukken. Een geregeld huisbezoek heeft er plaats .... Een nauwlettend oog gaat over de middelen waardoor de leden in hun tijdelijk bestaan pogen te voorzien, opdat daaronder geene onzedelijke, als het houden van herbergen enz. gekozen werden. Aan het opvragen en toezenden van lidmaatsattestatiën wordt de meest denkbare zorg besteed. Bijna elke week ontvangen hij en zijn ambtgenooten den last,

1) Onze broeder Casparus Coolhaes examineerde mee een predikant. Rutgers 162, 157 en 170. — De minzame titel luidt: Een cort warachtig rerhael van 't sorgelicke vi/cr der hatelicker ende van God vervloecter onecnichegt in re/igions saken, ontsteecken si/nde in Hollandt a'\ 1574. Leyden 1610. Citaat bij II. C. Rogye, Caspar Janszoon Coolhaes, de voorlooper van Arminius en de Remonstranten, 2 dln. Amst. 1856—'58; 137 v.

Sluiten