Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om deze en gene der lidmaten ernstig op verzuimde plichten te wijzen" ').

Ten onrechte acht Hooijer van meer gewicht de vitterijen van Wtenbogaert, die door Trigland op den voet gevolgd en wederlegd worden2). De Remonstrantsche geschiedschrijver keurt het af, dat van Roomsche priesters die de reformatie predikten een formeel verzaken van hun vorig ambt en geloof geëischt werd (artikel 20). Was daartoe dan geen reden ? Hij gispt het als een soort inquisitie, dat de Dienaren tegen de kettersche boeken op allerlei wijs moesten waken (artikel 3). Was dit dan niet voortreffelijk? En om niet meer te noemen, hij verwondert zich over de „scherpheit tegens de Doopsgezinden in eene gesteltenisse van tyden en saeken, die noch seer onseker was, in 't midden van veele dreigende gevaarlykheden". Maar nam hun leer dan niet zoo toe, dat men in sommige dorpen gansch geen kinderen meer doopte 3) ?

Onder den indruk van Wtenbogaert en Brandt heeft Hooijer zich laten ontvallen: „wij moeten ook erkennen, wat uit zoo menig artikel blijkt, dat deze synode van 1574 gansch niet onder de mildste en verdraagzaamste te tellen is". Een aanklacht zonder bewijsgronden. Behalve de laffe mode van sommigen om hun tegenstanders, aan wie men met grond niets ten laste kan leggen, ten minste een strengen geest en onverdraagzamen zin toe te dichten. Bovendien een aantijging die recht tegen de historie ingaat. De Kerk van den Briel had tot dusver in dien zeer schralen tijd „in 't generaal al de armen van haar stad zoowel huisgenooten des geloofs als die

1) Chr. Sepp, Drie Evangeliedienaren uit den tijd der Hervorming, Leiden 1879, 69. „Onbegrijpelijk groot was het nut, dat zij [de leeraars, in die eerste tijden] stichtten". G. D. J. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, I 173.

2) Kerkel. historie 166; Brandt I 550; Trigland, Kervel.geschiedenissen fol. 167—169.

3) Rutgers 196.

Sluiten