Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die voor alles hare eenheid beoogden; maar dat het niet de drang, van de gemeenten uitgaande, is geweest, die deze belijdenis zulk eene hooge plaats heeft doen innemen" ').

Ziedaar een uitspraak die tegen logica en historie ingaat. Wanneer traden ooit gansche gemeenten handelend op? Hoe konden leiders slagen in het opdringen eener belijdenis, als gemeenten geen behoefte aan die belijdenis gevoelden? Waarom bleef een overbodige confessie langer dan een halve eeuw het middelpunt van den vinnigen kerkstrijd? En waarom verstonden tijdens ongeloofelijke godsdienstige verwarring slechts „enkele" mannen, dat men geschriften noodig had, waarin de Kerk vervat den zuiveren zin, dien zij aan de bijbelwoorden hecht in de noodzakelijke stukken des geloofs, die door andere kerken of personen verkeerd begrepen worden ?

Ook de historie onderwijst, dat het gedrag der leeraren den drang der gemeenten vertegenwoordigt. Zij vermeldt niet enkele, maar duizende vrienden der belijdenis. In den nacht van 1 op 2 November 1561 wierp men over den muur van het kasteel te Doornik uit naam deiburgers een lang geschrift of brief en een boeksken, „bevattende hun belijdenis, die zij zeggen dat meer dan de helft dezer stad met een gemeen accoord ons [de commissarissen der regeering] aanbieden, waarmede meer dan honderd duizend mannen in den lande instemmen". Zoodat Hooijer terecht spreekt van „de menigte dergenen, die de confessie van de Bres, door Calvijn geapprobeerd, hadden aangenomen" 2).

Hooijer heeft in zijn „Oude kerkordeningen der Ned.

1) Ds. Knipscheer 76.

2) Ons Hfst. I; Hooijer 116. Den lezer zal ik in het vervolg niet vermoeien met een debat der hedendaagsche godsdienstrichtingen over hun historische inzichten.

Sluiten