is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedenis der Nederlandsche geloofsbelijdenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hervormde gemeenten" ook opgenomen „Kerkelijke wetten op last van de Staten van Holland en Zeeland ontworpen in 1576". Hij acht ze een bewijs, dat de Staten „de zaak van de godsdienst wel ter harte genomen en er ijverig de hand aan geslagen hebben". Juister is de tegenovergestelde meening. Die wetten zijn monumenten hunner heerschzucht. Laat mij trachten aan te toonen, dat de Staten de pas geboren Gereformeerde kerk geheel aan banden poogden te leggen en haar tot een tak van staatsdienst verlagen. Hun ontwerp van wet spreke voor zich zelf. Om godsdienst of staatkunde hield de Prins van Oranje der Kerk de hand boven het hoofd. Het ontwerp werd geen wet.

De opgestane Nederlandsche steden begonnen republiekjes, hun vroedschappen of regenten potentaatjes te worden. De afgevaardigden dier burger-potentaten kwamen als staten-vergadering bijeen. In sommige steden zat allesbehalve de godsdienstigheid op het kussen. Hooft's woord sloeg ook wel op magistraten. „Sommigen, die de lichtheid eenigzins in den aard hadden, sloegen tot ongebondenheid van godsvrucht en tot een roekeloos leven over". Naar het Latijnsche woord voor vrijheid noemt men hen Libertijnen, ultra-vrijzinnigen of liever loszinnigen.

Hoe fel waren de leeraars bij hen gehaat. Niet alleen de enkele heerschzuchtigen, maar de predikanten als zoodanig. Sommige stadsregeerders scholden Gods dienaars voor consistorianten of consistorie-boeven. Want in calvinistische kerkeraden zagen zij het beginsel tot een nieuw pausdom. De kerk was desnoods nog te dulden, kerkeraad classis of synode niet. Mijn heerschappij duldt geen andere nevens zich ')•

1) Hooijer 113—131; de acten bij Bor, b. VIII fol. 119 en b. IX 140; Brandt I 559; Wagenaar VII; de zaak in een verkeerd licht bij Ypeij en Dermout 1 339; en de ware toedracht der zaak bij Mr. C. M. Van der Kemp, De eere der Ned. Ilerv. Kerk gehandhaafd tegen Ypeij en Dermout, 3 dlu. Bott. 1830—*33, I 260—288.