Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier te lande aireede gemaakt, om, dezelve overzien hebbende, daar af te nemen en weg te doen al hetgeen de civile en temporele regering eenigzins mocht contrariëren of praejudiciëren, latende voorts in zijn geheel hetgene tot vordering der religie is dienende, om niet te komen of te vallen in confusie en geheele onordening tot groote oneere en schandaal van de geheele Christenheid".

Ziedaar het bemiddelend standpunt van den grooten Oranjevorst. De Staten is hij ter wille, desnoods goedkeurende de aanstelling van eenige super-intendenten, die voor den Gereformeerden godsdienst en tegen kerkelijke inbreuk op stadsprivilegiën zouden waken. De kerken beschermt hij, haar kerkorde van 1574 den Staten ter lezing aanbevelende, om er slechts af te nemen wat de burgerlijke regeering te na kwam, en verder haar in haar geheel te handhaven. Souvereiniteit in eigen kring, ook voor de Kerk.

Prins Willem handhaafde hardnekkig het recht en de vrijheid der Kerk tegenover politieke heerschzucht. Den 15den Juli boden de Staten hun regeeringsontwerp, waarin hun godsdienstplannen onveranderd voorkwamen, den Prins andermaal aan. Deze keurde het weer af. Hij moveerde weer „zekere zwarigheid... aangaande de clausule van de religie". De Staten trachtten hem tevreden te stellen door „doende surcheren en ophouden de exercitie van de Roomsche religie" te veranderen in „doende surcheren de religien den Evangelio contrarieerende". Tevergeefs.

In het voorjaar van 1576 kwam de zaak andermaal op het tapijt. De Prins deed nu 13 Maart zijnerzijds een voorstel in de vergadering der Staten. Hun antwoord schijnt hem nog niet behaagd te hebben. Want in hun notulen van 27 April lezen wij: „De Staten, weder voorgelezen zijnde het Concept van den Verbonde, Unie en overdracht van den gouvernemente voornoemd, hebben

Sluiten