Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 5 begint aldus:

„5. Daer na sullen sy van eenen Dienaer in haren dienst met bewillighinghe ende beantwoordinghe der navolghende stucken bevesticht worden, Ten I^i Oft sy ghevoelen dat sy van Gode ende syner Ghemeynte wettelick tot desen dienste beroepen syn? Ten Hen oft sy de H. bybelsche Schrift voor het eenich woordt Gods ende de volcomen leere der salicheyt houden, ende alle ketteryen daerteghen strydende verwerpen? Ten letsten, Of sy haren dienst na den Reghel deser leere ghetrouwelick te bedienen, ende den seluen met een vroom leuen te verchieren bereyt syn"?

Dat hier ter plaatse van geen confessie sprake is, schijnt hoogst bevreemdend. Doch dit is niet meer dan schijn. Men bedenke vooreerst, dat wij hier „dezelfde beginselen als vroeger aantreffen" '), zoodat de bepaling van 1574 der onderteekening van de Belijdenis door de predikanten van volle kracht bleef. Ten andere, dat Hendrik Van den Corput ten opzichte der Haagsche synode van 1586 een jaar later terecht aan Arnoldus Cornelii schreef: „Daer benevens en is de gestelde ordeninge niet nyeuw, maer geüseert onder 't cruys ende van aenvang aen, ende geconfirmeert met veel Synoden". Voorts, dat een geschiedkenner als professor Rutgers verklaart: „Wat er telkens plaats had [op de opeenvolgende synoden], was slechts dit, dat het een of ander punt nader werd uitgewerkt, of wel, dat eenige regeling met de veranderde omstandigheden in overeenstemming werd gebracht... Al wat niet veranderd was, bleef eenvoudig gelden" a). En eindelijk, dat deze uitspraak treffend bevestigd wordt door artikel 8 der Dordtsche kerkorde.

„8. Die in eenigher Vorsten ofte anderer Heeren Houen den dienst des Woordts bedienen sullen oock ordentlick

1) Van Lennep 127.

2) Dr. B. van Meer, De synode te Emden 1571,'sGrav. 1892, blz. 216 v.

Sluiten