Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

d'Outreleau gedeputeerd door de Waalsche Kerken in Nederland. Neerlands Kerk in Engeland had Godfried van Wingen gezonden, den man die in 1561 door zijn raad de zeven en dertig artikelen ter goedkeuring naar Emden te zenden, aanleiding was geweest dat De Brés zijn belijdenis niet langer terughield.

Toen dan nu de nationale synode te Middelburg van 30 Mei tot 21 Juni 1581 saamkwam, moest velerlei worden bedacht en betracht. Geen zaak bijkans was dringender dan het voorzien in het tekort aan predikanten. De synode werd met verzoeken bestorrad. Nog altijd „waren er vele schaepkens, maer het ontbrack aen herders '. Niemand die zich tot den dienst der Kerk wilde voorbereiden, werd dan ook afgewezen, indien hij slechts „goede getuigenis van een godzaligen wandel kon geven, matelijk ervaren was in de Schriftuur en verstandelijk kon spreken tot den volke". In die behoefte voorzag de pas opgerichte Leidsche Hoogeschool maar zeer matig J).

Ten aanzien van één enkelen predikant legde de synode buitengewone zorgvuldigheid aan den dag. Begeerig om het geschil dat sedert 1578 tusschen Prins Willem en Dathenus ontstaan was bij te leggen, werden alle getuigen door haar gehoord, die daarover eenig licht konden verspreiden. Helaas tevergeefs 2).

Ook de schoolreformatie bleef aan de orde 3).

1) Van de tusschen 1575 en '81 ingeschreven studenten waren ruim 130 vreemdelingen, doch slechts enkelen die zich aan de godgeleerdheid wijdden. Nog veel kleiner was het getal Nederlanders, die zich tot den 11. Dienst voorbereidden. Dr. G. D. J, Schotel, De academie te Leiden in de 10e, 17e en 18e eeuw, 2 dln. Haarl. 1875, I 18. Over verzoeken om een predikant Rutgers 366, 369, 428 v., 467—476.

2) Ook het oordeel van den vermaarden hofprediker De Villiers werd gevraagd. Deze schreef een merkwaardigen hrief aan de synode terug. Van Lennep, G. V. d. Heyden, 129 v.; Janssen, P. Dathenus, 120; Rutgers, 363.

3) Zie geloofsbrief en instructie van twee predikanten, die gecommit-

Sluiten