Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ouderlingen ende diakenen onderteeckent moeten worden".

De Dordtsche synode van 1578 had namelijk onderteekening voorgeschreven der „belydenisse des gheloofs in seuen en dertich artykelen begrepen.... ende den Coninck Phillippo ouer vele iaren ouerghegheuen" '). Nu had de classis Brabant wellicht last van dwarsdrijvers die naar den bekenden weg vroegen. Of van aan Gods waarheid vijandige leeraars, die in de geschiedenis hunner tijden en Kerk onbehoorlijk onervaren waren. Hoe het zij, 1581 kon zich niet duidelijker uitdrukken dan 1578. Dezelfde bewoordingen moesten voor antwoord dienen. „45 ad 53. Op de vraeghe, welck de 37 artijckelen zyn, die byden Predicanten, Ouderlynghen ende Diaconen onderteeckent moeten worden? Is gheandwoordt dat het selue syn, Die eertijts bij de Neder-landtsehe liereken den Conynclc Philips ouerghegeuen sijn".

Yan meet af wist natuurlijk de classis Brabant zeer goed, welke de zeven en dertig artikelen waren. Doch wie zal nu nog zeggen, om welke reden zij nadere omschrijving wenschte. Een gelukkige onzekerheid een soort stok voor iemand, die den hond de Belijdenis slaan wil. Allerwaarschijnlijkst heeft de Brabantsche vraag2) de Wtenbogaert-Brandtiaansche fabel doen ontstaan.

De Remonstrantsche geschiedschrijver Wtenbogaert3)

1) „Blijkbaar bedoelde deze vraag [der classis Brabant] geene goedkeuring met dit nu volgende besluit [art. 37 der kerkenordening, zoo even behandeld], dat op deze synode [van 1581] genomen is". Hoe ds. Knipscheer (blz. 69) deze bedoeling uit die vraag kan uithalen, is mij een raadsel. Met even weinig grond, maar met meer waarschijnlijkheid zou men het tegendeel kunnen beweren: Blijkbaar bedoelde Brabant de 37 artikelen ten spoedigste te gaan teekenen.

2) Te Water, Tweede eeuwgetijde 77, vermoedt, dat het gedrag van Coolhaes die den onwetende speelde tot de fabel aanleiding gaf. Oók niet onmogelijk.

3) Kerck. hist., 194; Brandt, I 647; H. C. Bogge, Caspar Janszoon Coolhaes, de voorlooper van Arminius en der Bemonstranten, 2 dln. Amst. 1856—'58, i 196; l)s. Knipscheer 68. Trigland 439; Te Water 75; V. d. Kemp, II 127—13U. Voor zijn uegeeren der confessie-geschiedenis

Sluiten