Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vele predikanten vroegen toen [in 1581] verwonderd, wat dat voor eene geloofsbelijdenis van 36 artikelen was". De heer Rogge, de geschiedenis van de eerste twintig levensjaren der Confessie als regel des geloofs met een pennestreek wegvagende, spreekt van „vele" predikanten en „36" artikelen.

En een verdienstelijk boek als dat van Ds. Knipscheer bevat zonder eenige de minste critiek: „De Geloofsbelijdenis was in 1581 nog zóó weinig bekend, dat eenige predikanten, op de Synode te Middelburg van dat jaar, toen men van het onderteekenen sprak, vroegen: „Wat is dat voor een confessie van 37 artikelen""?

De fabel zelf werd oudtijds door Trigland en Te Water, en voor tachtig jaar door Van der Kemp afdoende weerlegd.

De uitroep is meer dan waarschijnlijk nooit gedaan. Hij zou bewijzen onbehoorlijke spotternij of voorgewende onwetendheid, geen eerlijke onkunde. Nadat zijn eigen Kerk vijftien of achttien jaar lang op synode na synode onderteekening voorgeschreven had, paste het geen enkelen predikant meer haar Belijdenis niet te kennen. Van den Franschen tekst der Belijdenis waren in 1561 twee uitgaven, in 1566 minstens één uitgaaf in't licht verschenen. De Nederlandsche tekst verscheen in 1562, '63, '64, '66, en sinds het jaar der vrijheid het jaar der Geuzen nog in 1573, '76, '78, en '80. Er kunnen duizend exemplaren in omloop geweest zijn. Reeds de Dordtsclie synode van 1574 had aangedrongen: „Wordt voor goet aenghesien dat in allen Consistorien ofte ten minsten in allen Classen eene copie vande Confessie ende Articulis Sijnodi bewaert worde".

De uitroep kan dus allerminst dienst doen als bewijs, dat „de Geloofsbelijdenis in 1581 nog zoo weinig bekend was". In de belijdenis-eeuw waarin men onophoudelijk naar iemands godsdienstige geloofsbelijdenis vroeg, kan de confessie der heerschende Kerk eenvoudig niet aan predikanten dier Kerk onbekend zijn geweest. Heeft

Sluiten