Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denken, of het zestiende-eeuwsche: „Hebt acht op elkander, ook wat aangaat de leer" niet de voorkeur verdient boven het twintigste-eeuwsche: „Ben ik mijns broeders hoeder" ')?

Een onrechtzinnige die tot de leeringen van David Joris zich aangetrokken gevoelde, was Hermanus Herberts predikant te Dordrecht, sinds 1582 te Gouda2). In onrechtzinnigheid en onkerkelijkheid wordt hij Coolhaes' evenknie geacht. Ook hem steunde een heerschzuchtige stadsoverheid in zijn verzet tegen de wettige kerkelijke vergaderingen, de classes en synoden. Dat ging eenige jaren goed. Doch nu in 1586 de synode door het gezag van Zijn Excellentie gesteund werd, begreep de bestrijder der Kerk te moeten buigen, wilde hij niet van zijn ambt ontzet worden.

De synode ontwierp en Herberts onderteekende vijf bijzondere schriftelijke bekentenissen. Zij handelen van de volkomenheid der Christenen, de rechtvaardigmaking, letter en geest, de vernedering van Christus, en de verkiezing.

1) E. van Reid, Ned. oorlogen, 3, 83. Wtenbogaert, 3, 129. Brandt, I 702. J. W. te Water, Kort verhaal d. reformatie v. Zeeland, 84-—89. W. te Water, Historie der herv. kerke te Gent, 211. H. ter Haar, Specimen historico-theologicum Petri Datheni vitam exhibens, p. 100 -107. Brief van Pezelius aau de Haagsche synode bij H. Q. Janssen, Bijdragen tot de geschiedenis van Zeeuwsch-Vlaanderen, III 1 vv. Men zie vooral prof. Rutgers, 614—618. Een bezwarend getuigenis tegen Dathenus te Gent levert nog Prof. dr. L. Knappert, Petrus Audomarus over de Kalvinisten, in Ned. Archief voor kerkgeseh., d. VI (1909) 236—250; en Dezelfde, Stukken uit den stichtingstijd der Ned. Herv. Kerk, in Archief, d. VII (1909) 44.

2) Reitsma en van Veen, Acta, II, 244. Zijn leven beschreef Dr. H. C. Rogge in Kalender voor de Protestanten in Nederland, derde jaargang 1858, blz. 140—171. Zie zijn beroering in diens Caspar Janszoon Coolhaes, II 152—181. Ver van onpartijdig Brandt, I 692, wien Ypey en Dermout, d. II Aanteekeningen blz. 73—75 navolgen. Uitvoerig en betrouwbaar Bor, B. 21 fol. 81—106, en Trigland 213—233. Uitnemend Van der Kemp, II 170—198, die hem niet als martelaar des geloofs, maar als dwarsdrijver doet kennen. G. D. J. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, 1127—144. Prof. Rutgers 558 v.

Sluiten