Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dordrecht ghehouden, met die nederlantsche confessie wtghenomen den dienaer van Boscoop, die noch gheen vaste residentie en heeft in sijn kercke". Een afdoend bewijs van het gebruik van kerkenordening en con fessie.

Emden en Dordt schreven bezit en gebruik der confessie voor. Er valt dus iets te lezen tusschen de notulenregels der classicale vergadering van Dordrecht 8 November 1575. „Omgevraecht zijnde, of die broederen oock die Embdische en Dordrechtsche Synodalia hebben: Is bevonden, datse alle die broederen hebben" x).

De vergadering van 6 Mei 1578 noemt uitdrukkelijk de belijdenis, en schrijdt voort van de kerken tot de predikanten. „Besloten dat een Iegelijck broeder [predikant] sal hebben die 37 Artickelen der Nederlandtsche Confessie oock die Artickelen van Embden, en van Dortreeht [van 1571 en '74]".

De nationale Dordtsche synode van Juni 1578 schreef voor „datmen in allen Kercken der Nederlanden de belydenisse des gheloofs in seuen en dertich artykelen begrepen .... onderschryuen sal". Ingewikkelde onderschrijving der geloofsbelijdenis greep plaats, toen de classicale vergadering van Schoonhoven 8 Juli 1578 de synodale acten onderteekende 2).

Hoe gematigd men dit bedoelde, bleek op de vergadering van 28 Februari 1581 te Dordrecht. Zonder vermelding der confessie werd aan drie proponenten gevraagd, „oft se haer willen onderwerpen den raedt des Classis".

De acta van 1582 handelen zeer breed over den twist van Hermannus Herberts met de Dordtsche predikanten,

1) Blz. 41 v. van boek 1, art. 3.

2) „Acta Synodi Nationalis ghelesen hebbende ende omghevraecht sijnde ofïse alle teghenwordige dienaeren voor goet kenden onde begeerden te onderteekenen antwoerden Jae ende hebbent ghedaen". Daarop nogmaals aangedrongen te Strijen 23 Juni 157'J.

Sluiten