Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Twee beginselen, twee volksdeelen botsten voor het eerst tegen elkander aan, het vrijzinnige en het rechtzinnige. Het eerste vond in de regenten, het laatste in de burgerijen zijn grootsten aanhang. „Onze regeeringspersonen, en in het algemeen de hoogere stand, waren meerendeels wat Dusseldorp [Roomsche geschiedschrijver uit begin der zeventiende eeuw] politieken noemt; Christenen boven de geloofsverdeeldheid, afkeerig van dogmatiek ; die meenden dat men met iedere geloofsbelijdenis, en ook zonder eenige, wel zalig zou worden, als men braaf leefde en trouw zijn plicht betrachtte. Sommigen bleven zich katholiek gevoelen en noemen; de meesten verkozen het protestantisme, als minder klerikaal, boven de Moederkerk" ')• Zij waren geen typen van hun tijd.

samenkomsten van meer dan twintig personen hield, 14 Kebr. 1612 des morgens om vijf uur met schout en diefleiders huiten de poort gebracht. Prof. dr. W. Geesink, Calvinisten in Holland, Rott. 1887, Coruelis Geselius, (1583—1614). Vooral in Schoonhoven werden de Gerelorinecrden vervolgd. Aan een predikant en een ouderling werd de stad ontzegd, en de tusschenkomst van het Provinciale Hof door de Gecommitteerde Raden belet. Vijf ouderlingen en diakenen werden ontpoorterd, hun nering verboden, en acte hiervan geweigerd. Die buiten de stad hun nering wilden gaan doen, werd dit belet door het niet ijken van gereedschap, of door boete van 25 gouden rijders.. De magistraat liet 60 spietsen doorzagen, de bovenste einden halve pieken blijven, van de ondereinden polsen of knodsen maken met scherpe ijzeren pennen, om „op den kop te slaan die den Magistraten den voet op den nek wilden zetten''. Over de keur van Schieland. Regenboog I, 184—187.

1) Fruin, a. w., IV 50 v. Elders (VI, 142) verklaart hij nog scherper; „Velen hunner [van de staten van Holland] behoorden tot de zoogenoemde libertijnen, dat is tot de onverschilligen, die zelfs den strijd van Roomsch en onroomsch niet belangrijk achten... Zulk een libertijn was de landsadvokaat zelf, wiens geliefkoosde spreuk luidde: „Niets le weten geeft het zekerste geloof". — Onbegrijpelijk, hoe zulk een gematigd onbevangen schrijver ditmaal zijn tegenstanders steeds meer kleineert. VI, 143: „de ijveraars" begonnen dit vraagstuk voor het eene noodige aan te zien ... de menigte, die nauwelijks begreep wat eigenlijk het punt in geschil was, hield zich aan haar ijverende leeraars. 147: De Groot was het twisten van »het gemeen", over hetgeen het niet verstond, zoo moede als iemanü. Later breekt zuiverder zienswijs door. 152: M;»ar in deze kerkelijke twisten was de bevolking van Holland blijkbaar tegen de regeering ingenomen.

Sluiten