Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op een heerlijken Meimorgen van het jaar 1619 betrad de meer dan zeventig-jarige staatsman het schavot in het Binnenhof. Tot de omstanders klonk zijn woord:

halfronden gepopulariseerd én de verheven toewijding van den Prins van Oranje, én de buitengewone en providentieele lotgevallen van mijn vaderland, én de zegeningen des Eeuwigen voor hen allen, die op Hem vertrouwen en slechts voor Zijn Woord beven" (Groen van Prinsterer). Maar Motley heeft, eens voor altijd en gansch ten onrechte, Prins Maurits overgeleverd aan de miskenning der gansche beschaafde wereld. Ik zwijg van Maurits' verouderden haat, waarvan in de vertrouwelijke briefwisseling (zie noot blz. 7) en in de onwaardeerbare correspondentie van den Engelschen gezant Carleton geen spoor te vinden is. Ik ga voorbij de telkens herinnerde anecdote van Maurits' schoonmoeder Louise de Coligny, die den Advokaat gaat spreken over Maurits' zoeken van de souvereiniteit, zeer waarschijnlijk enkel verdichting. Ik wijs slechts op Motiey's meer dan curieus uitgangspunt. Het Calvinisme, het Puritanisme, heeft destijds de godsdienstige en staatkundige vrijheid veroverd. Motley erkent dit. In haar gevolgen is de leer van Dordt hem dus onwaardeerbaar. Doch in zichzelve is zij een fatalistische dwaling, een hatelijk en belachelijk dogma, een godsdienst enkel geschikt voor eerzuchtigen of idioten. Nu was Maurits geen idioot. Dus hij was een eerzuchtige. Zijn eerzucht was de beweegkracht van zijn gedrag jegens Oldenbarnevelt. Van Motiey's hartstochtelijk boek is Maurice et Barnevelt, Etude historique par Mr. Groen van Prinsterer, Utrecht 1875, een schitterende wederlegging. Of de beschaafde wereld ook dit leest? leder rechtzinnig theoloog bestudeere het vóór zijn proponentsexamen. Motley werpt, daar de worsteling van 1617 hem een tragedie wordt (The Tragedv of Sir John van Olden Barnevelt, herdrukt naar de uitgave van A. H. Bullen, met een inleiding van R. Fruin, 'sGrav. 1884), alle schuld op Maurits. Doch waarom zette dan Maurits zich geen kroon op, die hij nagestreefd en nu voor het grijpen had? „Niets dan de lust ontbrak Maurits om stadhouder der Unie te worden". Prof. Fruin. a. w. VI, 208. »Had hij [Maurits] Nederland... van den buitenlandschen vijand gered,... thans redde hij het land van het gevaar waarin het zich zelve bragt... De houding, die hij nu openlijk aannam, was hern opgedrongen, en van alle eerzucht om voor zich eenige magtsvermeerdering of verandering van staat te verwerven, was hij volkomen vrij". Alg. gesch. des vaderlands door Arend, na diens overlijden bewerkt door Mr. O. van Hees en Dr. W. G. Brill, 1860, III 728. Er is niets overdrevens in den lof, dien graaf Willem Lodewijk aan prins Maurits toebrengt: »Le devoir que v. Exc. faict, contente touts ceux qui sont vrais patriotes, et ils donnent louange a. v. Exc., jusqu'au ciel, comme libérateur et conservateur de la patrieet religion reformée, estant si stricteinent unis qu'ils sont inséparables'. Archives 1.1., p. 22*.

Sluiten