Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch eerst onder zijn opvolger brak een tweede crisis uit. Na den Munsterschen vrede dreef Holland zijn streven naar oppermacht, hegemonie, op de spits in de bekende zaak der afdanking van het krijgsvolk. Het wilde afzonderlijk als provincie afdanken, het wilde dus geen Unie boven zich erkennen. Het scheen als ware Oldenbarnevelt herleefd, Barneveldus redivivus. 's Prinsen lankmoedigheid en de toegefelijkheid der zes andere provinciën faalden tegen hardnekkigen onwil. Eerst de gevangenneming van zes afgevaardigden der Hollandsche steden en de krijgstocht naar Amsterdam fnuikten den weerstand der stedelijke aristocratie. Reeds maakte de Oranjevorst zich op om het behaalde voordeel |over de regentenheerschappij te bevestigen, toen eensklaps de dood hem velde (6 Nov. 1650).

Maurits die de aristocratie overwon en haar ongedeerd liet, en Willem II die stervend van haar overwonnen werd, zijn typen of prenten die de gansche zeventiende en achttiende eeuw in beeld doen zien. De binnenlandsche politiek van twee eeuwen ging over de vraag: Stadhouderlijk bewind en uitzicht op vrijheid, of anti-stadhouderlijk bestuur en geniepige volksverdrukking. De hoog opgehemelde „vrijheid in den Burgerstaat" van dien tijd beschrijft Groen van Prinsterer in zijn Handboek als volgt.

„Nauwelijks kan men zich het gezag voorstellen eener Magistratuur, uit een klein getal familiën samengesteld, door afgevaardigden deelgenoote der souvereiniteit, door den stedelijken raad wetgeveres in elk plaatselijk belang, door burgemeesters besturend, en die door schepenen regt spreekt. Daarbij een schout of baljuw, hoofd der policie, die, naar goedvinden en zonder verantwoordelijk-

ik Antwerpen eens, ik zal haar zoo laag vernederen, dat ze zich nimmer weder opbeuren zal". Stolker, Maurits en Frederik Hendrik in betrekking tot de Remonstranten, 1827.

Sluiten