is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedenis der Nederlandsche geloofsbelijdenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het licht der Rede omstraald, zouden eerlang alle volken, broeders geworden, natuurweelde en paradijsovervloed genieten. En waarlijk, er was „geloof aan het ongeloof' ontstaan. De geestvervoering steeg ten top. De Fransche, welhaast iedere Europeesche natie, dweepte met een toekomstdroom.

Ten onzent volgde men de Groote natie in gematigd tempo. Vooral nieuwe kerkhervormers stonden op. Zij handelden voorzichtig. Afschaffing der symbolische schriften zou de meerderheid der predikanten, ja des volks in't harnas gejaagd hebben. Maar een literaire stroom van spot en schimp betreffende „praedestinatie en dordtsche kerkleer", gelijk men de leer der zaligheid noemde, viel niet te keeren. Even breed en diep was de vloed van geschriften, waardoor de democratie gepropageerd werd i). Hetresul-

1) J. Hartog. De spectatoriale geschriften van 1741—1800. Kennis van het huiselijk, maatschappelijk en kerkelijk leven. Utrecht 1873. — Ken boekje van 80 blz. <lat ik bezit, geeft van de wijsbegeerte der achttiende eeuw in Nederland een populaire voorstelling. «Catechismus der egaliteit, en der rechten van den inensch. Gedrukt in Nederland 1794". Schijnbaar godsdienstig, spreekt het van Gods algemeene liefde en volmaakte wijsheid, om daaruit gelijkheid en vrijheid der menschen, rechten en plichten af te leiden. Het wetboek is uw hart. De maatschappelijke rechten en plichten zijn op de natuurlijke, de natuurlijke zijn in God gegrond. De wijsbegeerte onzer eeuw spreekt dus allereerst van den mensch in zijn zoogenaamde» natuurstaat, dat is buiten maatschappelijke overeenkomsten levende, om hem zijn natuurlijke rechten en plichten te leeren kennen. Dan voert zij hem over in het maatschappelijk leven. Daarin moet niets nudeelig zijn aan zijn natuurlijke rechten, of hij heeft reden van klagen en recht van verzet. Als natuurrechten worden dan besproken, dat de mensch meester is over zich zeiven en derhalve doen kan wat hij wil, zijn onverdeeld recht op de aarde, en het recht om zjjn opperhoofd te kiezen. Zijn maatschappelijke rechten zijn, dat de inensch stem moet hebben in de vergadering der geheele maatschappij, dat hij doet wat hij wil mits het niet aanloopt tegen den uitgedrukten wil van het geheel, dat hij vrij mag spreken en schrijven, zelf of door wettige vertegenwoordigers bepaalt de geldelijke lasten die hij dragen moet, en ieder ander lid der samenleving mag behandelen als zijns gelijke. In zulk een maatschappij zouden familieregeeringen althans verbannen worden. Aan het einde vraagt de Gouverneur zijn Leeiling: »Moet gij na dit alles niet toestemmen dat