Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 22 verkreeg twee veranderingen. Het artikel betreft niet den oorsprong van het geloof, maar de vrucht der kennis van den Middelaar. De oorspronkelijke aanhef in 1561 en '62 luidde terecht: „Wy gheloouen, dat „door" de ware kennisse („par" la vraye cognoissance) deser hoogher verborghentheydt, de heylighe Gheest in onser herten, ontsteeckt een ware ghelooue". Geheel overeenkomstig den Heidelbergschen catechismus. „Een zeker vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest „door het evangelie" ... werkt". De synode van 1566 veranderde in drieërlei opzicht: „que „pour" la vraye cognoissance de ce mystere, le Sainct Esprit „resident" en nos coeurs, nons „donne" une vraye foy'. Dientengevolge lazen de Hollandsche vertalingen van 1588 en 1611: „tot" ware kennisse, en de beide uitgaven der Harmonia confessionum: „ut" hujus mysterii cognitionem adipiscamur. En vertaalde de Dordtsche synode dien Latijnschen zin door: Wy gelooven dat „om" ware kennisse deser grooter verborgentheyt „te becomen" de Heylige Geest „in onse herten ontsteeckt" een oprecht geloove, Nous croyons que pour „obtenir" la vraye cognoissance de ce grand mystere le Saint Esprit „allume en nos coeurs" une „vraye foy". 1561 belijdt de kennisse Christi als factor van het geloof. Huidigt 1619 eenzijdig de theologische opvatting van het geloof als gave Gods? Dan ware de verandering geen verbetering. De tweede wijziging is de weglating van „wonende" in de zinsnede „in onse herten wonende". Een teniet doen van 1566, en een wederkeeren tot 1561.

In artikel 30 is „met de herders" een zeer gewenschte toevoeging, „datter oock opsieners ende Diaconen zyn om „met de herders" te zyn als den Raedt der Kercke, pour „avec les Pasteurs" estre comme le Senat".

In artikel 35 las 1562: „Nu de ghene, die wederboren zijn, hebben in haer, tweederley leuen, het eene lijflick ende tijdtlick". Dit „lijflick" werd later „vleessche-

21

Sluiten