Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en bepeinzen, van wat 's Heeren Geest door zijn Woord tot de gemeenten zegt. Wat daar buiten gaat, wat daar boven meent te staan, is dwaalleer.

Herman Alexander Roëll een liberaal theoloog van meer dan gewonen aanleg, sinds 1686 hoogleeraar in de wijsbegeerte en godgeleerdheid te Franeker, van 1704 tot '18 theologisch professor te Utrecht, richtte de kracht der logica op wat zich niet begrijpen laat, de eeuwige generatie van den Zoon Gods. De voortbrenging of teeling onderstelde volgens hem een overgang des Zoons van niet zijn tot zijn, een bestaan des Vaders voordat de Zoon bestond, dus afhankelijkheid des Zoons van den Vader. Daaruit volgde mindere volmaaktheid des Zoons, ja een niet God zijn. Op dit punt der redeneering stuitte echter de wijsgeer-theoloog op den bijbelschen naam „Zoon van God". Hij verllauwde hem tot de beteekenis van buitengewoon afgezant Gods. In die betrekking kon de gelijke en de mindere des Zenders zoowel verklaren: „Di<^ Mij gezien heeft, heeft den Vader gezien", als „mijn Vader is meerder dan Ik". Volgens Roëll was de benaming „Zoon Gods" in de Heilige Schrift dus slechts oneigenlijk bedoeld ').

Gezwegen van 's mans overige onrechtzinnigheden bleef niet verholen, dat ook de Socinianen de uitdrukking „Zoon Gods" verklaarden als zendeling Gods op aarde. De eeuwige Godheid des Zoons betuigende, meende Roëll juist tegen hen die Godheid krachtiger dan iemand verdedigd te hebben. Ook oordeelde men, dat zijn gevoelen naar Cartesianisme smaakte.

Zijn ambtgenoot een ernstig Coccejaan dien de commentaar op Jezaja beroemd maken zou, trad tegen hem in het krijt. Campegius Vitringa hield in twee twistredenen

1) Wierp Roëll zijn eigen denkstelsel niet onderstboven ? Want aangaande de natuur van beide Personen verklaarde liij weer, dat Zender en Gezant eenswezens zijn, gelijkelijk oneindig en eeuwig, onafhankelijk en onveranderlijk.

Sluiten