Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Worden verder ook onse Correspondenten, die tot andre Synoden staan te gaan, gelast, deselve te versoeken, ten einde sij haar Eerwaardigheden met dese onse resolutie willen conformeren, immer daar sulx nog niet wierd gepractiseert.

De Correspondent Frisiae [correspondent van Friesland] heeft hier in genoegen genomen, gemerkt dese resolutie universeel gemaakt is, tegen het quaad, en niet tegen een particuliere academie".

In de synode van Haarlem 1693 (art. 19) constateerde men, dat Gelderland, Utrecht en Groningen zich met Noord-Holland conformeerden. De Zuid-Hollandsche synode van den Briel 1693 (art. 4) had vier stellingen tegen het Roëllisme ontworpen '). De generatie geheel opheffende, meende Roëll de betrekking des Zoons tot den Vader te mogen uitdrukken door het woord coëxistentie, medebestaan. De Zoon bestond met den Vader mede van eeuwigheid, maar werd niet gegenereerd. De voornaamste vraag door Zuid-Holland aan de studenten voorgelegd luidde derhalve: „Of door de eeuwige generatie des Zoons van den Vader moet verstaan worden een coëxistentie met den Vader van eeuwigheid"? Zuid-Holland verzocht niet vruchteloos, dat Noord-Holland eveneens waken zuu. Het verzoek van Friesland, dat voortaan de zaak Roëll uit de acten zou worden gelaten, werd afgeslagen. Daarentegen werd de Zuid-Hollandsche bede ad referendum [in overweging door de classen] genomen. En de Stellingen werden in de acten ingelascht.

Vreemd dat in de acten der synode van Amsterdam 1694 tart. 17) enkel vermeld wordt, dat men tegen Roëll bleef waken. Gelet op de constante uniforme handeling van Noord- en Zuid-Holland mag men onderstellen, dat

1) Zie 7.C in ilo noliiloii tier synode van Haai lem. en in hr>t Kerkel. handboekje van 1794. 303 v, Ypeij en Derinout, II aantrek. I>l*. 360.

Sluiten