is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedenis der Nederlandsche geloofsbelijdenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1771 (art. 14) oordeelt de classis Haarlem „het nodig, ter bedwinging van de licentie in het boekdrukken, instantien bij den Souverain te doen, en is van gedagten, dat men het in dezen al verre zoude gebragt hebben, indien de schrijvers van hoger hand verpligt wierden om zich met hunne eige namen bekend te maken, dewijl dan degene, die nu in het donkere blijven, inhetdagligt zouden moeten komen, en de palen van betamelijkheid te buitengaande, daar het behoort zouden actionabel zijn".

Het kwaad kroop voort. Een rechtzinnige storm stak op, toen David Kleman in 1774 uitgaf „De orde des heils". De predikant van Voorburg meende, „dat allen, die een behoorlijk gebruik maken van hunne, door het zedelijk onderwijs des Evangelies verbeterde, natuurkrachten, en zich ernstig stellen in den weg van pligt, zekeren staat op de verkrijging van Gods bovennatuurlijke genade kunnen maaken".

Zijn loflijk doel was reactie tegen het misbruik der onmachtsleer en de daaruit voortvloeiende vleeschelijke zorgeloosheid. Zijn dwaalleer was, heiligmaking het middel ter rechtvaardigmaking. Plichtsbetrachting verwerft genade. Ze was een terugkeeren van de Hervorming tot Rome. Van Augustijn en Calvijn tot Pelagius en Arminius. De Reformatie heeft terecht in de rechtvaardiging des zondaars voor God, niet in de heiligmaking, aanvangspunt en zwaartepunt gezien.

Gedachtenloos wellicht had de classis 'sGravenhage het werkje goedgekeurd. Weldra brachten de classes Amsterdam en Schieland bezwaren bij haar in, terwijl de Leidsche hoogleeraar B. de Moor en anderen tegen Kleman schreven. Zijn in Mei 1775 aan de classis overgeleverde verdediging zou ras aanleiding worden, dat die vergadering feitelijk haar approbatie van Kleman's ge>