Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In zijn standaardwerk „Onderwijzing van den christelijken godsdienst" leert de vader der Gereformeerde kerk, dat er wel verschil maar geen strijd is tusschen de roeping van kerk en staat. Volgens Calvijn heeft de staat niet alleen ten doel dat voor het stoffelijk welzijn der menschen gezorgd wordt, maar ook dat Gods waarheid niet belasterd, de godsdienst niet openlijk aangetast, en hiertoe strekkende leeringen niet onder het volk verspreid worden, in het kort, dat er onder de christenen zij een openbare vorm en gestalte der religie ').

Geheel in Calvijn's geest verzochten de Nederlandsche Gereformeerden der achttiende eeuw, dat de staat voor den godsdienst schadelijke geschriften zou te keer gaan. Hun verzoeken werden niet alleen ingewilligd, maar hier en daar voorkomen. De staat bleek gewillig en somtijds meer dan gewillig tot den boekenstrijd ten gunste van het Gereformeerd beginsel. En dit tot vlak vóór de Fransche revolutie. Zoo althans leerde ons historisch onderzoek in deze paragraaf.

Dit nu maant tot herziening van de bij velen geldende geschiedbeschouwing.

Eenerzijds betuigt Mr. G. Groen van Prinsterer in zijn uitnemend „Handboek der geschiedenis van het vaderland", dat in de achttiende eeuw onze hoogere standen geheel onder den invloed der revolutiebegrippen geraakten.

Anderzijds betoogt hij — een stelling waarop gewoonlijk te weinig gelet wordt — dat „het erfgoed van zedelijkheid en godsvrucht bij een aanmerkelijk deel der bevolking niet verloren ging".

Met voorzichtigheid mogen wij dit laatste zelfs op de regenten toepassen. Waren de hooge colleges van staat vinnig revolutionair gezind geweest, hoe hadden zij kun-

1) Zie mijn inleidend woord, uitgesproken op de jaarvergadering der Confessioneele Vereeniging te Utrecht 6 .luni 1906, opgenomen in «Troffel en Zwaard». «De verhouding van Kerk en Staat volgens Luther, Zwingli en Calvijn, geschetst als toelichting van artikel 36 onier belijdenis».

Sluiten