Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de synode van Alkmaar 1788 wordt het voorstel ingediend tot navolging der Zuid-Hollandsche practijk.

„36. Arminianen. De Classis van Alkmaar gav aan deeze Hoog Eerw. Yergaadering in overweeging, of men in navolging van Zuidholland niet behoorde te praktizeeren, dat het formulier der onderteekening van de Predikanten tegen de correspondentie en vereeniging met de Arminiaanen ook in de Classisboeken onder deeze Synode ingeschreeven, en bij het examineeren of zitting neemen der Predikanten in de Classen voorgeleezen wierden. Alle de Classen hebben dit voorstel ad referendum genoomen".

Ten slotte behelzen de acten der synode van Haarlem 1789 (art. 35) het desbetreffende besluit.

„D. D. Deputati wagten het rapport der Classen nopens het voorstel van Alkmaar, in het voorgaande jaar gedaan. De classis van Haarlem liet zig dit voorstel welgevallen, maar wilde bepaalt hebben, of dit door eiken Predikant eenmaal geschieden zou, bij het neemen van sessie, dan bij herhaaling, zoo meenigmaalen hij in eene andere Classis overgaat. Alle de Classen conformeeren zig met Alkmaar, en oordeelen, dat de onderteekening eenmaal geschieden moet".

Als vervolg op een voorgaande paragraaf schetst ons overzicht zonneklaar, dat schier twee eeuwen lang de Gereformeerde kerken van Nederland beslist anti-remonstrantsch waren. Ja dat gansch Holland in 1789 de scherpheid van 1619 en '27 bereikt had.

In 1789! Dus zes jaar slechts vóór 1795. Dit werpt tevens licht op onze volksgeschiedenis. In geweldige tijden heeft steeds een minderheid, die met den tijdgeest homogeen was, door energie en vreesaanjaging de leiding kunnen hebben. Zoo in 1572 en volgende jaren de Gereformeerden! In 1795 de revolutionairen. De Arminianen hoopten niet ten onrechte, dat de omwenteling hen tot vrijheid, misschien zelfs tot heerschappij zou brengen. Zij moesten dus wel min of meer revolutionair gezind

Sluiten