is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedenis der Nederlandsche geloofsbelijdenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goet en was gevonden by alle de leden van de Generaliteyt, allegerende weders [wijders] de acte dessynodi van Gorchem in eenen verkeerden sin, daer de acte maer en siet op tgene, dat in alle nationale synoden gebruyckelick is (namelick dat in den aenvanck derselve altyt de Confessie gelesen wort ende daerop omgevraecht, offer yemant es, die etwes daertegen heeft), bekennende oock eyndelicken (gevraecht zynde, waerom dat behoorden gecensureert te worden diegene, die de revisie der Confessie hadden tegengesproken, sonder eenige reden daerby te stellen), dattet wel anders hadde behooren gestelt te worden, soo isset dat de vergadering verclaert heeft nyet alleenlick, dat noyt yemant onder de Contraremonstranten de Confessie ende Catechismum gestelt heeft noch oock tegenwoordelick stelt in eenen graet met Godes woort, jae ter contrarien deselve denoordeele des goddelicken woorts onderwerpt, maer oock dat dit tiende gravamen te nyete gedaen worde, ende dat de classis van der Gouda voorsichtelicker int stellen desselvigen hadde behooren te handelen".

In deze acte treft ons de officieele heenwijzing naar een oude usantie,die men later wel eens geloochend heeft'). Ten tijde der oudste Belgische kruiskerken had reeds de Pinkstersynode van Antwerpen 10 Juni 1565 bepaald: „Qu'au commencement de chaque Synode, on ait & faire lecture de la Confession de foy des Eglises de ce pais: tant pour protester de notre union que pour adviser s'il ni a rien a changer ou amender". Zóó was de kerk begonnen. De Delftsche synode verzekert, dat zij aldus ook is voortgegaan. In de acten van de vier nationale synoden der zestiende eeuw komt over de usantie wel niets voor. Doch zij bevatten steeds bovenal de bepalingen voor de toekomst, de verbeterde kerkenordening inzonderheid; niet of bijna niet het besprokene of verhandelde op de

1) Dr. A. Kuyper, Revisie der revisie-legende, Amst. 1879, blz. 100 v. Vgl, mijn 111 § 2 blz. 299 v.

24