Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De verontwaardiging in het vaderland blijkt treffend hieruit, dat Bertius' vrienden ten deele „crancksinnicheyt" onderstellen. Hoe bitter is de groote geest ook hun tegengevallen. Door middel der classis Leiden betuigen zij in de synode van Gouda 1620, dat hij wel om zijn zwaren val en afval de scherpste censuren der kerk verdiend heeft, maar dat zij uitstel der kerkelijke discipline verzoeken. De synode gunde een bedenktijd van drie maanden. Middelerwijl verzocht zij de kerk van Parijs, Bertius te vermanen. Bij ongunstig antwoord van daar zou zij „procederen tot de excommunicatie, ten waere dan saecke hij de kercke behoorlyc nae haer ordre voldede ende de formulieren van eenicheyt mitgaders ooc de Canonibus synodi nationalis onderschreve".

Doorvloeien is lichter dan wederkeeren. Ook Bertius' vrouw en kinderen vielen Rome toe. Hij zelf werd op paaschdag 1621 in de Pieterskerk te Leiden openlijk geëxcommuniceerd. En stierf als Parijsch hoogleeraar in 1629, voor een deel door consciëntiewroeging

In de Leidsche synode van 1619 (art, 71) werd gelijktijdig besloten, P Bertius, Vossius en Barlaeus voor zich te ontbieden ')■

Toen in 1615 Bertius het hoogleraarschap aanvaardde, werd hij als regent van het staten-collegie opgevolgd dooiden Dordtschen philoloog Gerardus Johannesz Vossius. Evenals de onderregent de Latijnsche dichter Caspar Barlaeus was hij een gewezen bursaal of alumnus dat is kweekeling van het collegie. Beide ex-leerlingen van Bertius waren volbloed Remonstranten, en werden in Juli 1619 ontslagen

Ons bleef bewaard oen brief van Vossius aan Hugo de Groot, waarin hij meedeelt de onderteekening van den

1) Over Vossius, li*1 Brandt II, 254, 303—3t0, 315, 527 v,, 697; III, 345, 843 — 849, 888—«90, 896—899, 922 v. Over Vossius en Harlaeus Schutel, De academie te Leiden, I, 30 v.

Sluiten