Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat belangt Jan Cornelisz, eertijds Arminiaes predikant tot Lamuyden, hem tot Gottenburch in Sweeden uytgevende ende gedragende als een leraer der Gereformeerde kerke, hadde de gedeputeerden den Heere Rutgers, ambassadeur van de Coninclijcke Majesteit van Sweden, aengesproken ende uyt name der kerke gebeden dat sijne E. daertoe wilde arbeyden, dat het den voorsz. Jan Cornelisz. werde verboden ende dat tot dienst van de Nederlanders aldaer een Gereformeert predikant, vroom ende gesont van leere en van leven, mochte beroepen worden".

Volgens den ambassadeur was Jan Cornelisz. al geweerd, en de publieke godsdienstoefening den Nederlanders toegelaten. Nu bij informatie bleek dat Remonstranten de begunstigden waren, zou de heer Rutgers trachten hen te weren en het beneficium [de gunst] den Gereformeerden te geven. Hierin een zonderling genoegen nemende, zou de christelijke vergadering den heer ambassadeur verzoeken, dat niet alleen te Gothenburg maar ook te Stockholm de Gereformeerden met gequalificeerde leeraars mochten voorzien worden.

Het volgend jaar in de synode van Ysselstein (art. 16) blijkt, dat wijlen de heer agent Rutgersius, „deser werelt overleden", de zaak vrij wel in statu quo [onveranderd] gelaten heeft. Jan Cornelisz. continueert nog in zijn onordentelijk prediken. De gedeputeerden blijven dus belast, om bij den tegenwoordigen resident van zijn Majesteit van Zweden vlijtig aan te houden betreffende de twee steden en den Arminiaanschen prediker.

In de synode van Dordrecht 1627 (art. 12) is men nog niets gevorderd. De gedeputeerden blijven belast met het verzamelen der synodale schriften, „gelijck mede om bij den E. Heer Agent bij Sijne Majesteyt van Sweeden D. Camerarium, te bevorderen tgene Art. 16 uutgedruckt staet, alsoo sijne E. verclaert heeft willich te sijn dien aengaende aen Sijne Majesteyt te schrijven".

Sluiten