Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Frederik Hendrik's komen aan het bewind wekte bij de onderliggende partij de stoutste verwachtingen. En vooral in Holland strijd in kerk en staat. In Noord-Holland had de worsteling haar hoogtepunt bereikt in de Amsterdamsche zaak-Smout ten jare 1630 ')• In ZuidHolland, waar de kerk in haar acte van nader verbintenis reeds een afwerende stelling had ingenomen, greep nog beslissender kamp plaats in de zaak-Rotterdam van 'net jaar '31.

gezinde partij gevierd en gesteund. Zoo werd in 1631 aan zijn vijfjarigen zoon de Survivance [overleving, beloofde ambtsopvolging] van het Kapiteinschap en Admiraalschap-generaal verleend. Later waren inoeielijkheden, als Maurits en vroeger reeds Willem I had ondervonden, ook zijn deel. Weigering van geld tot den krijg, dwarsboomen zijner krijgsverrichtingen, wantrouwen, vernedering, laster. Zelfs een zoo zachtaardige, inschikkelijke natuur moest wel reageeren en geleidelijk opposant worden. Zijn natuurlijke geest van accommodatie maakte plaats voor nóg natuurlijker strijd voor zelfbehoud. Den tijdsduur der ontnuchteringsperiode kan ik niet bepalen. De jaren 1637—'39 sloegen de breuk. 1637. Frederik Hendrik ontvangt van Frankrijk, in plaats van Doorluchtigheid, den titel van Hoogheid (Altesse). Dit verwekte vrij wat gemors en gepraats bij de Ed. Gr. Mog. en Hoog Mog. Heeren, die maar simples Seigneuries kregen. Van nu aan veel laster tegen Frederik Hendrik. Hij kon thans ook zijn gevoeligheid niet verborgen houden. Door de edelen van Holland werd hij niet vruchteloos aangezocht tot eerste lid van hun lichaam. Ook dit ontstemde de steden, naarmate zijn invloed daar toenain. Van nu aan kroop de kanker van mistrouwen langzaam voort. 1638. Vier fluiten inet oorlogsbehoeften voor den vijand op 's prinsen last aangehouden, door Amsterdams wethouderschap ontslagen. Aan den aldus getergden prins ontviel de uitroep: «Ik heb geen grooter vijanden dan de stad Amstei'dain. Maar, krijg ik Antwerpen eens, ik zal haar zoo laag vernederen dat ze zich nimmer weder opbeuren zal". 16't9. Admiraliteitsverpachting van de belasting der convooien en licenten. Tegenover een nieuw plan der Staten Generaal en van den prins staat Amsterdam onwillig. Commissie derwaarts van dertien heeren, o. a. den graal van Kuilenburg. Hooghartig bejegend, onverrichterzake naar den Haag terug. Van toen af zeer groote antagonie tusschen den prins en Amsterdam, die met zijn dood niet ophield. «Want geschillen met onsterfelijken zijn lites immortales, en de steden zijn personae immortales". Mr. W. Uilderdijk, Ges. d. vad., Anist. 18:15, VIII 143.

1) Zie IX § 7. En over deze § 16 Dr. Knuttel, Acta I.

4

Sluiten