Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als had de synode van Schoonhoven 1630 de gemengde bemiddelings-commissies niet rondweg afgeslagen, verzochten de Staten van Holland 24 Januari 1631 den Stadhouder, zich »eenige politieke en kerkelijke personen te willen „assumeren", om met hun advies de oneenigheden in de kerk van Rotterdam tot een goed einde te brengen.

Prins Willem I had de kerk tegen de heerschzucht der Staten beschermd. Maurits had haar daarvan verlost, i ïedeiik Hendiik liet zich in dienst der heerschzucht tegen de kerk „gebruycken". Oranje opper-moyenneur.

Op voorstel dier commissie van acht besloot de Stadhouder 1 Maart, dat, nu AJutarius en Rijswijck hun ontslag hadden genomen, Nyenrode en Leeuwius verplaatst zouden worden en de suspensie der vier «uderlingen zou cesseeren.

Natuurlijk dacht de synode van Schiedam (art. 61) dit wedeirechtelijk ingrijpen en in 't algemeen de moyenneurschappen te gaan bespreken. Nadrukkelijk hebben vooraf de commissarissen-politiek hun last dienaangaande ingebracht, „namentlijck, dat geen resarge [recherche? onderzoek, navraag] gedaen oft ijts voorgenomen worde op ol tegen de moieneurs, die volgens expresse resolutien van de Gr. Mog. heren Staten bij den Prince van Orangien zijn geassumeert".

De vergadering zag nu feitelijk van behandeling deizaak af. Maar zou door een request „reverentlick en beleefdelick" de Staten „onderrichten van de schadelijke consequentiën, die uyt dese handelinge de kercke te

over vrijheid en recht der kerk. En over liet zich laten gebruiken der predikanten tegen de kerk, in politiek-kerkelijke commissies. Dat laatste vooral verfoeide Schoonhoven. Maar wordt door Ypeij en Dermout zelfs niet genoemd. Daarentegen vermelden zij wat hier niet ter spraak behoort te komen, dat niemand der predikanten achtte de vjjf artikelen der Remonstranten „duldich te sijn" (art. 39). En wat zij betredende art 61 verhalen, vermelden de Acta van dr. Knuttel niet op het jaar 1630. maar I6.'i1. 1

Sluiten