Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geschiedenis der Nederlandsche geloofsbelijdenis.

HOOFDSTUK IX.

De geloofsbelijdenis ten tijde der Republiek.

§ 18. Zuid-Hollandsche synoden in den tijd van johan de Wl^t.

Onze voorouders plachten de vergaderingen hunner hooge colleges, waarin zij de belangen van den Staat het gewest en de stad hunner inwoning waarnamen of het recht bedeelden, met een gebed tot God in den naam van zijn Zoon Jezus Christus te openen. Het ambtsgebed was lang de eere van de eergestoelten en hun bekleeders. Eerst het midden der negentiende eeuw zou de schande der afschaffing aanschouwen. Het spreekt van zelf dat die hooge colleges daarover te zeggen hadden ')-

1) In den eersten tijd werd bij alle staatsvergaderingen en staatscolleges een predikant even noodzakelijk gerekend als een seoretaris. (lij opende iedere vergadering met een gebed. Waarin hij onwillekeurig God smeekte, dat Hy de harten der heeren zou bestieren in dien zin, als hij predikant het liefst zien zou. Vaak werd hy ook geraadpleegd. Later werd die post zelt a'gesehaft. De president las een vast formuliergebed voor, „waar bij Onze lieve Heer en de Vergadering vry bleven". Bilderdijk, IX 128. Droevig aandoenlijk is de Ges. v. h. ambtsgebed in de Ned. van den tijd. d. Hervorm, tot a. d. tegenwoordigen, door Jhr. Mr. A. M. C. v. Aseh v. Wijk, Utr. 1852.

2

Sluiten