Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De gelegenheid om op den preekstoel voor het Oranjehuis te ijveren, lieten de predikanten zich niet benemen. „Een curieus staaltje is wat in den Haag gebeurde in November 1665, dus slechts twee jaar na de invoering van het nieuwe formulier. Bij gelegenheid van een biddag ten tijde der tegenspoeden van den tweeden Engelschen oorlog, trad op Ds. Thaddaeus de Lantman. Als tekst deelde hij mede het zesde vers uit Hozea II: „Ik wil wederkeeren tot mijn vorigen man, want toen had ik liet beter dan thans". De geheele gemeente spitste de ooren, want men begreep waar de predikant heen wilde".

De ongewone verklaring van de profetiën des Ouden Testaments, waarmee Johannes Coccejus sinds 1650 te Leiden opgang maakte, liet de Hollandsche magistraten vrij koud. Maar de professor was afkomstig uit de vrije rijksstad Breinen, waar de magistraat onafhankelijk was. Uit dien hoofde was en bleef hij magistraatsgezind. Hij vond het vreemd dat er lieden waren, die eenig perk aan het recht der stadsregeeringen wilden stellen. Uit Coccejus' school verwachtte de Hollandsche factie geen lastige predikanten.

Voorts nam zij krasse maatregelen. De staatsresolutie van 6 October 1666 bepaalde dat van predikanten, die zich niet stipt aan het nieuwe gebedsformulier hielden, de tractementen zouden worden ingehouden. De Voetianen gehoorzaamden morrende. Een nieuwe resolutie bedreigde met onmiddellijke afzetting, zonder ooit elders beroepbaar te zijn. Bovendien werden de Coccejanen overal voorgetrokken en beter bezoldigd. De Voetianen op dorpen voor hun leven vastgenageld in armoede en ballingschap. Zelfs de murmureering hield op. De Coccejanen waren ras in de meerderheid. Van week tot week werden nu op alle kansels in Holland op voor de ingezetenen bevattelijke wijs door het publiek gebed de Staten-Generaal verlaagd, en de Staten van Holland'verhoogd. Is echter aan het

Sluiten