Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

priesters en andere geordende personen van de Roomsche religie, volgens voorgaende placaten uyt de provincie van Holland en West-Vriesland uytgesett ende geweert sullen worden".

Gelijk de voorgaande paragraaf schetste, hadden in de jaren 1654—'58 staat en kerk gehandeld over de vraag, of niet alle Roomsche geestelijken uit het land gezet moesten worden Nu in 1666 besloten de Staten althans, dat de „vreemde" buitenlandsche geestelijken zouden worden uitgezet. Heeft de kerk dit metterdaad verkregen ? Sedert den Munsterschen vrede van 1648 waren uit België heel wat vreemden binnengedrongen. Helaas! zoo flink als door graaf Willem Lodewijk van Nassau omstreeks 1600 is door de Staten van Holland de zaak der godsdienstige reformatie nimmer aangevat. Daartoe waren de heeren te politiek, en te weinig religieus. Toen de Fransche revolutie uitbrak, bevonden zich in onze noordelijke provinciën bijna geen Roomschen. Doch een vierde of een derde van Holland was Roomschgezind.

In de synode van Leiden 1668 (art. 1) is op zijn verzoek binnengestaan D. Petrus van Balen, gewezen predikant in het huis van zijn excellentie den heer van Rheede van Renswoude, ambassadeur der Staten-Generaal aan het hof van Spanje. Door geschriften, en door conferentiën met papisten over een syncretismus [vereeniging] van het pausdom met de Gereformeerde kerk, was hij vei vallen in diepe twijfelingen over de waarheid der Gerefoimeeide leer. Nu hem zulks van harte leed was, verzocht hij van

het gepasseerde vergeving.

Een aanzienlijke commissie examineerde hem scheip. En van Balen onderteekende een schuldacte. Zijn schuldbekentenis werd, tecto nomine [met verzwijging van den naam], van den Haagschen preekstoel bekend gemaakt. Ook moest hij met de Leidsche professoren gedurig cmfereeren. Een jaar latei- mocht hij weer prediken. Eerst na twee jaar was hij beroepelijk.

Sluiten