Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sprekende van D. Duraeo, Schotsman ende zijn dessein, omme de Luytersche kercke met de Gereformeerde te vereenigen, blijft den Synodus bij hare voorgaende resolutie, waerover bij de aanwesende E. broederen correspondenten aengedient is, dat hare respective Synoden haer met de voornoemde resolutie deses Synodi hebben geconformeert".

Ook de synode van Enkhuizen 1636 tart. 10) constateert: Alle synoden elders accordeeren met de meening dezer synode. Dreigend vervolgt men: Duraeus beroemt zich, dat hij verscheiden onderteekeningen heeft van professoren ') en predikanten. Hiernaar zal in alle classen onderzocht worden. Ook zullen de predikanten vermaand worden, zich met Duraeus' plan niet in te laten.

De synode van Edam 1637 (art. 14) notuleert: De classen hebben geen onderteekenaar van Duraeus' plan gevonden.

Eerst vijf jaar later komen de titel van Duraeus' geschrift en de eenstemmige afkeuring van zijn voornemen in de notulen voor. Artikel 59 der synode van Rotterdam 1641 behelst:

1) In later lijd werd Duraeus' streven naar ,,vredehandelinge" met de Lutherschen door de drie theologische professoren aan Utrechts academie en door de Stichtsche classis niet ongunstig beoordeeld. Doch de pogingen van professor Essenius en van den Lutherschen predikant te Utrecht Hoenerfanger, om dit syncretisme „by alle gelegentheijt na vermogen te behartigen", leden schipbreuk. De Luthersche synode had „de sake d. Duraei by provisie afgewesen". Naar die resolutie had de Luthersche kerk te Amsterdam, van welke de andere kerken „soo wat dependeerilen", lich te gedragen. Ook Voetius was niet zonder restrictie gewonnen. Hem hinderden bij de Lutherschen hun Rooinsche gebruiken. Zie Not. Utr. Kerker. 2 Mei 1664—4 Sept. 1665; Voetius, Polit. eccleu., lotn. I pars 1 p. 405—413. Duraeus ontving voor zijn „nengevangen devoiren tot vereeniginge tusschen de Gereformeerde ende de Protestante religions-verwanten", van de Stichtsche magistraat een subsidie. Zie Nol. Utr. vroeds, 14 Sept. 1661 en 13 Juni 1663. l)r. A. C. Imker, Gisbertun Voetius, III 158 v. Aldaar Bijlagen bU. XXXIII v. een merkwaardige attestatie, door de godgeleerde faculteit te Utrecht 7 Sept. 1661 aan Duraeus afgegeven.

Sluiten