Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Deputaten lazen ex Actis |uit hun eigen aanteekeningen] op, dat zij de Heeren Professores van de Theologische Faculteit te Leiden, volgens last, gesproken hadden, en die zeer genegen gevonden hadden, om, volgens verzoek van de Synodus, hunne Studenten eenen indruk te geven van de Formulieren van Eenigheid, de Canones Synodi Dordracenae, en tegen de Arminianen te wapenen, waarvan geene duistere voetstappen in de Disputen van den Heer Lampe, de causis Fidei (welke ook in zijne uitlegging over het 7e Cap. van Johannes te lezen is) gevonden worden, en, waartegen een van die Heeren eene expresse Dissertatie bezig was te schrijven" ').

De Walsche broeders hadden verzekerd, „dat de onderteekening van de Canones Syn. Dord. bij hen wordt gepractiseerd en niemand toegelaten, die zulks weigerde". Tevens hadden zij de gedrukte acten der Walsche synodus overhandigd, waaruit hun leerijver bleek. De synode schreef daarop aan de Walsche synode den bedankbrief, dien we § 12 uit de geschiedenis van Saurin leerden kennen.

In de synode van Dordrecht 1731 (art. 11) werd een correspondentie-missive der Walsche synode voorgelezen. De Nederduitsche en. Walsche kerken, benevens professoren, allen waakten tegen de Arminianen.

De zaak ds. van Eerbeek, zooals die haar loop gehad

1) Leidsche professoren in de theologie waren destijds Joh. a Marck de beroemde dogmaticus. He deugdzame Franciscu3 Fabricius „vader Fabricius" geheeten. De dogmaticus Joh. Wesselius. En Taco llajo van den llonert een uitstekend godgeleerde en prediker. G. D. J. Schotel, De academie te Leiden, Haarl. 1K75, I 1*5—188.

Friedrich Adolf Lampe leerling van lioëll, hoogleeraar te Breinen, de vader der onderwerpelijke prediking en onbezadigd beoefenaar der typische godgeleerdheid, publiceerde ascetische schriften. Gaf 17*24—''26 een verklaring van het evangelie van Johannes uit, waarvan een Ned. vertaling van S. Smout en It Keppel verscheen. En in bet Latijn een verhandeling Over bet zaligmakend geloof, waarvan in 17-22 een Ned. vertaling het licht zag. IJpey, VII '270, VIII 89 — 92, 3r>2, 477—482.

Sluiten