Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Remonstranten, in Synodo Dordr. 1627, Art. 35 gearresteerd, van elk inkomend lid nog volstandig doet onderteekenen, en dat men daar niet verzuimt de Arminianen, bij de wederlegging hunner dwalingen, te noemen met name, volgens Art. 12. Syn. Breda, 1752, te Woerden 1761, nog eens voorgelezen".

Het Leidsche voorbeeld prikkelde tot navolging. De synode van den Briel 1770 fart. 23) notuleerde:

„Algemeen werd geoordeeld thans bijzonder op deze [de Remonstranten] te moeten het oog houden, terwijl men thans onder dezelve al met stoute pennen begint te beweren, dat de Arminiaaneche Godsdienst niet slechts bij loutere eonniventie [oogluiking, toegevendheid] van den Souverein geleden wordt maar openbaar gezag in 't land gekregen heeft. Zie: Verhandelinge over de openlijke Godsdienstoefening der Remonstranten, pag. 26 waarom ook bij sommige Classen geoordeeld wordt, dat de Acte tegen de Moderatie en Accommodement met de Remonstranten (als bij Leiden geschiedt) niet genoeg kan herinnerd worden".

Het anti-remonstrantisme wies. De synode van 'sGravenhage 1771 (art. 22) bevindt:

„Hiertegen [tegen de Remonstranten] was elk, vooral in dezen tijd, zeer attent, en vooral de Classen gezet op de onderteekening van de Acte tegen de Moderatie en Accommodement met de Remonstranten.

Terwijl de Classis van Voorne en Putten hare bevreemding en ergernis te kennen geeft over zeker uitgekomen boek van Jan Cornelis Valk, Remonstrantscii Predikant te Leiden, waarin de Synodale Handelingen van voorleden jaar, zelfs woordelijk, getraduceerd lovergezet] zijn, en dezelve onder anderen genoemd worden: overblijfsels van de duistere tijden van hierarchie en onkunde en van verwarde dagen enz.".

I) Vermoedelijk van J. C. Valk, over wien zie mijn IX, § 1'2, blz. 131.

Sluiten