Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten slotte bevat Caput 6 „Acta ofte besluyten, dewelcke wt den name deses synodi wt te voeren syn '.

De synode besloot tot het doen drukken van twee confessie-uitgaven. Een achter ') den Heidelbergschen cate-

raamt iets nieuws. Veere nu spreekt van zekere formulieren, „van desen synodo gestelt". Dit soort formulieren bestond nog niet, maar ont3tond nu. Zie inijn tekst. Men zou kunnen zeggen: De instelling zelve van onderteekeningsformulieren werd „verscherpt".

Van liet verzet der classis Tholen, „die dat verzet volhoudt tot op 161N", melden de acten volstrekt niets. Jammer dat ds. Knipscheer zijn bron verzwijgt. Of is dr. Kogge zijn bron? Dr. H. G. Rogge, Johannes Wtenbogaert, Amst. 1876.

Volgens ds. Knipscheer schrijft dr. Rogge: „Dit nieuwe formulier werd tegen den zin van velen doorgedreven, die daarom nog niet geacht wilden worden de denkbeelden der remonstranten te omhelzen... Geen wonder, dat men in Holland die ijveraars ,,conscientiedwingers" noemde".

Of dr. Rogge zijn bron noemt, weet ik niet. Wel weet ik, dat de kerk in Holland haar voorstanders niet „conscientiedwingers'' noemde. En dat de Zeeuwsche kerk niet uit ,,ijveraars", maar uit rechtzinnigen bestond. Dezen wilden rechtzinnig blijven, en namen geoorloofde maatregelen op geheel wettige wijs. Daarom scholden hen de ,,verdraegzamen", de Remonstranten. Het is beneden mij, de schimpnamen nog in herinnering te brengen. Zij onteeren de scheldenden, niet de gescholdenen.

Typisch Zeeuwsch is de titel van Caput 5: „Versoecken wt den name des synodi te doen aen de E. M. heeren Staten". Let daarin op „H: Om de studenten by de suyverheyt der leere ende by de vromicheyt der seden te beter te onderhouden is raetsaem gheoordeelt, dat men de E. M. heeren Staten aendienen sal de nootzaeckelicheyt eens collegii in de provincie van Zeeland op te richten, ende ondertusschen te versoecken, dattet hare E. believe by de E. M. heeren Staten van Holland te aerbeyden, dat binnen Leyden professores theologiae van gesonder leere mochten worden gestelt". In 1G09 was tot Arminius' opvolger te Leiden de onrechtzinnige Vorstius benoemd. In 1612 zou de aanstelling van Episcopius volgen.

I) Aan het woord „achteraen" voegt ds. Knipscheer 129 als noot toe : „Deze plaatsing is teekenend". Bedoelende: Ze is kleineerend voor de confessie, haar typeerend als de mindere in rang. Als men nu eenmaal over de rangschikking iets zeggen wilde, ware beter geweest: Deze plaatsing is natuurlijk, liet populaire dagelijks gebruikte, de catechismus der gemeente voorop. De meer schoolsche leiddraad vooral bestemd voor de dienaren des Woords, de confessie daarna. Volgt daaruit dat zij de minste der twee geacht werd ? Reeds ten jare 1610, in de komende jaren nog veel meer, was de belijdenis en niet de catechismus inzet

Sluiten