Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wolk het cijfer, dat op den kalender staat en dat ik zeli vorm in het mechanisme van het heelal — laat me terug zien — en droomen.

Dertig jaar!

Het wil toch wel wat zeggen, zich dertig jaar door den taaien zuurdeeg dezer wereld gegeten te hebben! Mijn weg was heel niet moeielijk geweest — en toch, wanneer ik er over nadacht, wat hadden er al een veranderingen in plaats gehad, voor een deel doellooze veranderingen, alleen om later weer terug te veranderen — wat al dwalingen en zig zag-wegen, wat al omvergeworpen goden en godinnen, wat al sfinxraadsels, door niemand opgelost, hoeveel carnavalsen hoeveel Aschwoensdagkruisjes op geest en hart. . .

Ik had in de laatste tien jaren tenminste een bewust aandeel genomen in het geestelijke werk van onzen tijd. Ik had gestudeerd in de natuurwetenschappen en in de wijsbegeerte. Ik had er mij aan gewend in vriendenkring een eigen meening te hebben. Reeds vijf jaar lang had ik in het openbaar — niet op het gebied der zuivere wetenschap, maar als journalist, die een betere school doorgemaakt had dan tal van zijne collega's — naar mijn beste weten en met energie medegestreden voor alles was mij juist toescheen. Ik had reeds over een heel aardig aantal dingen tusschen hemel en aarde mijn oordeel laten afdrukken, had bestrijders met alle kunstgrepen der dialectiek weerlegd, medestanders mij laten toejuichen, onverschilligen ten minste met hun neus op het feit geduwd, dat er in de litteratuur een individu van mijn naam bestond, dat van allerlei meende te weten.

En in deze oogenblikken van droomen en van overpeinzen, bij een sigaar en een cognacje en wat vrije voorstadslucht en wat namiddagzon, was ik zeer geneigd voor mezelf te erkennen dat ik in weerwil van dat alles — misschien wat vroeger dan de anderen, maar even stellig - slechts daartoe gekomen was, waartoe de strijder in den modernen geestelijken strijd, en voor zoover hij eerlijk is, binnen korten of langen tijd altoos moet komen: tot de weemoedige erkentenis dat de droomen onzer jeugd, die ons eens steeds dieper inzicht in den zin van het leven beloofden, met ieder jaar meer inéénstorten; dat wc wel leeren het leven praktisch aan te vatten, het omzetten van kracht in geld ons in vleesch en bloed gaat zitten, dat we ook genoodzaakt worden eigene meeningen te hebben om vreemden, die er nu eenmaal ook op na houden, tegen te kunnen spreken; dat we ons «ik» leeren gebruiken als een centrum van kracht, gelijk dit nu

Sluiten