Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenmaal de praktijk des levens wil — dat we overigens van het theoretische raadsel van ons menschenbestaan altoos minder begrijpen en we ons meer en meer genoodzaakt zien onze diepste, innigste, oprechtste vragen als niet voor beantwoording vatbaar te beschouwen. Ja, dat we ten slotte vaag het gevoel krijgen dat al dat vragen, strijden, vorschen, het meest wijze en het meest gewichtige dat wij als jonge studenten meenden te kennen, zelfs onzin is en dat de vergenoegde philister, die tusschen zijn vier muren zit en zijn levensdroom al etend, drinkend, zijn pijpje rookend en zijn kinderen wiegend behagelijk afdroomt, totdat de dood, als iets van zelf sprekends, door de traditie geheiligds, hem bij de haren pakt — dat zoo'n philister eigenlijk de verstandige mensch is, dien wij, rustelooze mede-aanstokers van den grooten, idealen brandstapel onzer eeuw, moeten bewonderen, gelukwenschen en benijden.

Zulke gedachten waren nu juist niet het prettigste wat men tot zich zelf kan zeggen als toast op z'n dertigsten verjaardag. Maar ze kwamen ongeroepen tot me. Mijn blik gleed daarbij onwillekeurig over heel de gezellige, het oog prettig aandoende inrichting van mijn kamer, over de boeken, de beelden en de busten, over al den bonten, door prettige herinneringen honderdvoud vergulden rommel, die zich in den loop der jaren ophoopt in een jonggezellenkluis, waarvan de bewoner als journalist en als wetenschappelijk gevormd mensch in aanraking komt met de meest uiteenloopende kringen. Ik voelde, terwijl mijn ziel zulke pessimistische tranen van droefenis vergoot, toch zeer duidelijk hoe prettig ik toch in den grond der zaak dit leven vond, hoe flink en gemakkelijk ik omhoog gekomen was in de uiterlijke dingen en dat ik als dertigjarige mij, dank zij mijn goed gesternte, ten minste onder het genot van een zeer goede sigaar, een zeer smakelijk cognacje en in een hoekje dat bij mijn beperkte middelen er toch recht behagelijk uitzag en mij alléén toebehoorde, aan mijn «weltschmerz» kon overgeven.

Ik zat in den zadel, zooals men zegt.

Met mijn pen verwierf ik me wel geen koninkrijken, maar toch zooveel, dat ik mijn boeken netjes kon laten inbinden, er Hermesbusten en Tanagra-figuurtjes en Makartboeketten om rangschikken kon, tapijten op den vloer kon leggen en me alle mogelijke hulpmiddelen verschaffen om mollige hoekjes te maken, om met de beenen languit te lezen en te luieren en droomerig sigaren te rooken.

Dat was wel het hoogste, wat men op dertigjarigen

Sluiten