Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mag, ik had «gelebt und geliebt», ik was, zonder nu een Don Juan of een brasser te zijn, met bescheiden middelen en veel zucht naar behagelijkheid, een onbezorgde Epikurist geweest, die mooie oogen evenzeer wist te waardeeren als goeden wijn en malschen biefstuk — ik verheugde me, wat dit punt tot een bijzonder aangenaam iets maakte, in een gezonde maag en voorzoover mijn ervaringen gingen, in eenig succes bij galante ondernemingen.

Neen, het was niet het studeervertrek, het waren niet de dikke banden Schopenhauer, die —onder eenig voorbehoud ook bij mij wel in eere — daar op den boekenhanger stonden, neen, als iets me gelaten en pessimistisch maakte, dan was het het leven zelf, waarvan alle boeken niets dan kleurlooze afdrukken zijn.

En was ik alléén zoo?

Ging het niet allen rondom mij evenzoo, zelfs de besten? De slechtsten, de minst oprechten, ontveinsden het zich; de vrijere, openhartiger menschen waren het zich klaar bewust. Ze sloegen er zich materieel door, — de eene beter, zooals ik, de ander op bescheidener voet — het leven, dat hun geest verduisterde, sleurde hen toch aanstonds in zijn raderwerk weer zóó mee, dat ze het vergaten — het was overal een groot aanpassen, een worstelen om zich uit den stroom der ideeën te redden op een of ander stil eiland, waar het moede hoofd rust zou vinden. Wat zag ik in de vele levens, die — nu eens heel vriendschappelijk dichtbij, dan weer vijandig en veraf, maar toch binnen het bereik van mijn gevoelen — reeds aan mijn vorschend oog voorbij gingen, veel wegen inslaan, veel pogingen tot redding, tot ontvluchten aan de wereld binnen de alles omvattende wereld zelf. Hier zag ik er een, die oneerlijk werd tegenover zichzelf, die zich verdoofde, zich benevelde met hersenschimmen, zich zelf voorloog 0111 te ontkomen aan de onverbiddelijke logica. Daar weer een, die werkelijk het gevoel voor logica verloren had in de verwarring van het zich aan hem opdringende onontwarde, die ernstig begon te gelooven aan den roes, aan de geestverrukking zijner fantasie en daar vrede bij vond. Daar eindelijk weer een derde, die met stille, diepe, moede oogen zijn weg ging, wiens mond te trotsch was om te klagen, te trotsch om frases te zeggen, maar die ten laatste in volkomen zwijgen zijn troost gevonden had, die stomp geworden was, die zonder wapens voor den strijd ten slotte misschien de eerste werd om iedere reactie de hand te bieden, omdat alles hem tóch nutteloos leek. En

Sluiten